René Rietra, Joop Spijker en collega’s namen deelnemers mee in de resultaten over organische stof, nutriënten, bodemstructuur, water en productkwaliteit. De belangrijkste boodschap was dat lokale bodemverbeteraars kunnen bijdragen aan de bodem, maar dat de materialen sterk verschillen. De werking hangt af van het product, de dosering, de bodem en de toepassing. Ook werd bevestigd dat goede kwaliteitsborging nodig blijft, vooral voor fysieke verontreinigingen en kiemkrachtige zaden.

Van pilots en veldproeven naar bruikbare getallen

De sessie startte met de vraag waarom dit onderzoek er eigenlijk moest komen: lokaal geproduceerde bodemverbeteraars zoals bokashi passen nog niet zomaar in de huidige wetgeving, dus moest eerst worden uitgezocht wat ze met de bodem doen en of ze veilig zijn voor mens en milieu. “Als een soort onderbouwing heb je soms cijfers nodig voor hoe het in de wet past. Het zegt niks over of het goed of slecht is”, aldus Rietra.

Het onderzoek combineerde drie soorten data: zestig praktijkpilots verspreid over Nederland, laboratoriumproeven met materiaal uit een deel van diezelfde pilots, en drie langlopende veldproeven met een eigen referentieperceel. Daarnaast liepen er aanvullende onderzoekslijnen van Hogeschool Van Hall Larenstein en HAS Green Academy.

Hoeveel organische stof blijft over?

Een belangrijk onderwerp was de afbreekbaarheid van organische stof. Daarvoor is de ‘humificatiecoëfficiënt’ van belang: het aandeel van de aangevoerde organische stof dat na één jaar nog in de bodem aanwezig is. Dat is als het ware de bijdrage aan de opbouw van organische stof.

De onderzochte groencompost had de hoogste waarde: na een jaar was nog ongeveer 90 tot 95 procent aanwezig. Ook bladbokashi scoorde relatief hoog. Rietra lichtte toe dat het onderzochte blad erg droog was en in de proeven langzaam afbrak, waardoor het een forse bijdrage leverde aan de organische stof. Bij bewerkt maaisel liep de humificatiecoëfficiënt sterker uiteen: op sommige locaties werden onverwacht hoge waarden gevonden, maar de spreiding was groot.

Daarna werd gekeken naar de bodem zelf. In de veldproeven waren na enkele jaren de eerste effecten zichtbaar. Op kleigrond was bij hoge doseringen een lichte toename van organische stof meetbaar; op de onderzochte zandgronden bleef het gehalte ongeveer gelijk.

Bij de praktijkpilots was het beeld gevarieerder. De onderzoekers wezen erop dat verschillen in perceelgeschiedenis, grondbewerking en gebruik een vergelijking tussen behandeld en onbehandeld soms lastig maken.

Stikstof en fosfaat: rekening houden met tijdelijke vastlegging

De sessie maakte duidelijk dat lokale bodemverbeteraars niet hetzelfde werken als een snelwerkende meststof. De fosfaatbeschikbaarheid was laag en ook van de stikstof kwam maar een deel snel beschikbaar. Bij materialen met veel koolstof kan het bodemleven tijdelijk stikstof uit de bodem gebruiken. Dat werd niet als per definitie negatief uitgelegd, maar wel als iets waarmee een agrariër bij de bemesting rekening moet houden.

In de discussie kwam ook naar voren dat de gemeten werking over meerdere jaren niet één op één overeenkomt met de wettelijke werkingscoëfficiënt, die naar het eerste jaar kijkt. Over een periode van drie jaar mat het team 6 tot 33 procent bij bokashi van maaisel, tegenover 2 procent bij groencompost. De vertaling van getallen naar regelgeving vraagt nog om keuzes.

Een lichtere bodem, maar water blijft een lastig verhaal

Voor de fysische bodemkwaliteit was de verwachting dat meer organische stof zou leiden tot een lagere bodemdichtheid, een groter watervasthoudend vermogen en een betere doorlatendheid. In de gecontroleerde veldproeven werd inderdaad een lagere bodemdichtheid gemeten op behandelde locaties. Een duidelijk effect op het watervasthoudend vermogen kwam daar echter niet naar voren. In de praktijkpilots hielden behandelde bodems onder natte omstandigheden meer water vast dan de onbehandelde referentiepercelen.  Mogelijk komt dat omdat de praktijklocaties vaak al jarenlang en soms met hogere doseringen waren behandeld, terwijl de veldproeven een kortere looptijd hadden en de metingen daar sterk varieerden.
Bij een afzonderlijke proef met bokashi als mulchlaag werd geen aantoonbaar effect op de infiltratiesnelheid gevonden.

Kwaliteit, zaden en juridische vragen

Fysieke verontreinigingen blijven een belangrijk aandachtspunt. Volgens de onderzoekers zijn ze beheersbaar, maar alleen wanneer vanaf de bron zorgvuldig wordt gewerkt en een goed kwaliteitssysteem wordt gebruikt. Ook werd gemeld dat het proces niet leidt tot een verhoogd risico op azoolresistente Aspergillus fumigatus.

Over kiemkrachtige zaden ontstond een levendige discussie. In het merendeel van de onderzochte materialen was geen of weinig kiemkracht gevonden. Tegelijkertijd waarschuwden deelnemers om bij invasieve soorten, zoals Japanse duizendknoop, geen onnodig risico te nemen en zulke stromen gescheiden te houden.

Een deelnemer vroeg om duidelijker onderscheid te maken tussen toepassing in het openbaar groen en in de landbouw. In de discussie kwam ook de onzekerheid aan bod voor gemeenten die na afloop van een pilot verder willen. Als tijdelijke mogelijkheden werden samenwerking met een omgevingsdienst en verlenging binnen het onderzoek genoemd. Ook de Rotterdamse zelfbeoordeling kwam ter sprake als een andere juridische route. Tegelijk bleef de behoefte aan een structurele, meerjarige oplossing bestaan.