Het programma Circulair Terreinbeheer (CT) is opgezet om te bevorderen dat grondstoffen die vrijkomen bij terrein- en waterbeheer hoogwaardig worden benut. Het programma is een initiatief van de Biomassa Alliantie. Deze heeft tot doel om de transitie naar het circulair benutten van groene reststromen te versnellen.

In het programma CT staat de praktijk centraal. Het programma bouwt voort op de ervaring die enkele ‘koplopers’ opdeden in onder andere de pilots OMABOrganische stof tot nadenken en Kleine kringloop Brabant. Deze en andere pilots vormen voor ons de ‘kiemen’ van het programma. Daarbij brengen we de kansen en belemmeringen die naar voren komen en de kennis die wordt opgedaan in verbinding met het beleid. Op die manier willen we circulair terreinbeheer uit de pilotsfeer tillen, zodat het kan uitgroeien tot een gangbare werkwijze.

Toelichting op de figuur

De pilots vormen de kern van het programma CT. De ervaringen en opgedane kennis worden gedeeld in de kernteams MaaiselOrganische Stadsstromen en Grond/ sediment. De kernteams brengen de kennis verder via brede bijeenkomsten voor het hele netwerk en geven richting aan het programma CT.

Het Transitieteam verzamelt de praktijkinformatie over alle grondstofstromen en zet zich in om een beweging op gang te krijgen. Alle leden van het transitieteam zitten ook in een of meerdere kernteams.

In het Overleg CT-Beleidsontwikkeling spreekt het programma CT met vertegenwoordigers van de betrokken ministeries. Vanuit de kansen en belemmeringen die volgen uit de praktijk wordt gewerkt aan nieuw beleid. Ook het juridisch soepeler laten verlopen van de huidige pilots vormt een aandachtspunt.

De Ambassadeursgroep bestaat uit bestuurders die hun ervaring en netwerk inzetten om CT verder te brengen.

Bijdrage aan beleidsdoelen

Het programma Circulair Terreinbeheer (CT) levert een bijdrage aan de volgende beleidsdoelstellingen:

Circulaire Economie (zie site Rijksoverheid)

De vraag naar grondstoffen voor bijvoorbeeld eten, elektrische apparaten en kleding neemt wereldwijd sterk toe. Daarom werkt de overheid samen met het bedrijfsleven, kennisinstituten en natuur- en milieuorganisaties , overheden, vakbonden, financiële instellingen en  andere maatschappelijke organisaties om zuiniger en slimmer met grondstoffen om te gaan. Het doel: Nederland volledig circulair in 2050. Eén van de manieren om dit te bereiken is het gebruik maken van hernieuwbare grondstoffen voor duurzame producten.

Het programma CT richt zich op het in korte kringlopen toepassen van hernieuwbare grondstoffen (zoals maaisel, blad en sediment) voor bodemverbetering of biobased producten. Daarbij stimuleren wij het werken en denken in ketens, waarin alle partijen eigenaarschap nemen voor een hoge kwaliteit van het (eind)product.

Klimaatakkoord (zie site)

Eén van de ambities van de ondertekenaars van het Klimaatakkoord is in 2030 een extra vastlegging van 0,5 Mton CO2-eq per jaar te realiseren op basis van de huidige circa 1,85 miljoen hectare landbouwgrond in Nederland. Dit realiseren partijen door een toename van het organische stofgehalte en een verminderde vorming van lachgas in deze bodems. Hiervoor is een integrale aanpak (‘duurzaam bodembeheer’) vereist, omdat zaken als organische stofgehalte, bodemleven en bodemverdichting onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Voor het verhogen van het koolstofgehalte van de bodem op bouwland wordt de inzet van bodemverbeteraars één van de  maatregelen genoemd (bron: Klimaatakkoord, hoofdstuk Landbouw en Landgebruik).

Het benutten van maaisel of blad als bodemverbeteraar of biobased product zorgt voor de vastlegging van CO2. Het programma CT helpt om dit eenvoudiger mogelijk te maken, zodat dit overal in Nederland kan worden toegepast.

Kringlooplandbouw (zie LNV visie Waardevol en verbonden)

De inzet van het kabinet is dat kringlopen van grondstoffen en hulpbronnen in 2030 op een zo laag mogelijk – nationaal of internationaal – schaalniveau zijn gesloten en dat Nederland koploper is in kringlooplandbouw.  Het motto is: lokaal wat kan, regionaal of internationaal wat moet. Groene reststromen worden opnieuw benut of verwerkt tot nieuwe (hulp)producten.

Kringlopen zo klein als mogelijk en zo groot als nodig: dat is precies waar het programma CT zich sterk voor maakt. Er is lokaal veel vraag naar grondstoffen zoals maaisel, blad en sediment.

Duurzaam bodembeheer (zie LNV visie Waardevol en verbonden)

De bodem vormt de basis van kringlooplandbouw. Bodembeheer is een zaak van wederkerigheid: de mens onttrekt mineralen en water aan de bodem voor productie en voedt de bodem met organisch materiaal, water en voedingsstoffen.

Circulair Terreinbeheer zet zich niet alleen in voor het behouden van de kwaliteit van de bodems in Nederland, maar vooral voor het verbeteren ervan.

Biodiversiteit (zie LNV visie Nederland Natuurpositief en visie Waardevol en verbonden)

De wereldwijde biodiversiteit neemt in een ongekend tempo af. Dat vormt een bedreiging van de natuur én van ons welzijn. Nederland werkt op verschillende manieren aan het herstel van de biodiversiteit. Dat gebeurt bijvoorbeeld door het beschermen van de natuur én door het beter verbinden van landbouw en natuur. Hierbij vormt de biodiversiteit van de bodem een belangrijk thema. In één handje gezonde bodem leven meer ‘bodembewoners’ dan het totale aantal mensen op aarde. Deze organismen leveren tal van diensten. Ze maken bijvoorbeeld voedingsstoffen vrij en helpen planten bij de opname hiervan, dragen bij aan het voorkomen van ziekten en plagen en zorgen voor een betere bodemstructuur.

Bodemverbeteraars zoals compost en bokashi stimuleren en herstellen de bodemdiversiteit. Voor het programma CT vormen deze dan ook een zeer hoogwaardige toepassing van natuurlijke grondstoffen.

Over bodemverbetering

Organische stof is belangrijk!

Wereldwijd, ook in Nederland, vindt bodemdegradatie plaats. Om het tij te keren, moeten we veel beter voor de bodem zorgen. Daarbij is het verhogen van het gehalte organische stof een cruciale stap. Dit draagt onder andere bij aan:

  • Een weerbare en klimaatadaptieve bodem. Organische stof draagt bij aan een betere structuur van de bodem en verbetert de ‘sponswerking’ van de bodem. Op zandgronden is dat direct merkbaar aan het hogere vochtvasthoudende vermogen, waardoor er minder droogteschade optreedt. Op zavel- en kleigronden neemt de kans op verslemping en verdichting af.

  • Betere binding van nutriënten in de bodem.

  • Een rijk bodemleven en een goede bodemstructuur. Een gezonde bodem wemelt van het leven. Bacteriën en schimmels kitten bodemdeeltjes aan elkaar. Wormen mengen en eten organisch materiaal en scheiden dat met kitstoffen uit. Ook graven zij gangen, die zelfs de stevigste klei los kan maken. Door het bodemleven ontstaat er een stabiel en luchtig ‘bodemgeraamte’, dat bestand is tegen erosie of korstvorming. Ook geven de poriën in de bodem plantenwortels de ruimte om te groeien; daarom vind je vaak wortels in wormengangen.

  • Opslag van CO2 in de bodem.

  • Verhoging van de biodiversiteit. Het ‘oogsten’ van grondstoffen (en het dus niet zoals vaak gebeurt laten liggen) zorgt voor verschraling van de bodem en een rijkere flora en fauna.

Hoeveel natuurlijke grondstoffen een bodem nodig heeft verschilt per situatie. Verder is een bodem niet in één klap verbeterd: het is een kwestie van lange adem voordat de resultaten zichtbaar worden.

Methoden van bodemverbetering

De grondstoffen die worden geoogst bij het beheer van terreinen en water kunnen als volgt worden gebruikt voor bodemverbetering:

  • Ze worden vers toegepast, zonder bewerking (bv. het onderwerken van maaisel)

  • Ze worden bewerkt tot bokashi (Japans voor ‘goed gefermenteerd organisch materiaal’). Dit  is een kringloopproduct dat tot doel heeft om de microbiële diversiteit in de bodem te verhogen en planten te voorzien van bioactieve voedingsstoffen, zoals natuurlijke antibiotica, vitamines en aminozuren.

  • Ze worden bewerkt tot compost. Daarbij voeden micro-organismen (zoals bacteriën en schimmels) zich met het maaisel en zetten het om in koolstofdioxide, water en organische verbindingen. Die micro-organismen hebben daarbij zuurstof nodig.

Voor maaisel heeft fermenteren en composteren de voorkeur

Onderzoek wijst uit dat fermenteren en composteren de kwaliteit van maaisel als bodemverbeteraar verbetert. Het leidt tot materiaal met een hoge verhouding tussen koolstof en stikstof (een hoge C/N verhouding). Dit organische materiaal fungeert als een ‘buffer’ en bindt nutriënten aan zich, waarbij stikstof wordt geïmmobiliseerd. Om onkruidzaden geen kans te geven om te kiemen, moet maaisel minimaal 6-8 weken opgeslagen worden (ingekuild of geseald in balen).

De Biomassa Alliantie heeft de sterke voorkeur om maaisel niet rechtstreeks op het land te brengen, maar na fermentatie of als compost. Dit wordt gezien als goed landbouwkundig gebruik. De enige uitzondering hierop is wanneer het maaisel op zeer korte termijn op het land kan worden toegepast (bij voorkeur binnen 2 weken).