13-03-2019 – Tijdens de bijeenkomst Waarde van Water en Aarde vond een kruisbestuiving plaats tussen de pilots en vijf verschillende thema’s: kennis en innovatie, beleid, handhaving en wetgeving, value case (waarde) en bestuur. Deze thema’s werden besproken aan ‘transitietafels’. Aan het eind van de dag vatten de vertegenwoordigers van deze tafels de belangrijkste aandachtspunten samen.

Kennis en innovatie

Een woordvoerder (werkzaam bij Van Hall-Larenstein): “Aan onze tafel waren er meer vragen dan antwoorden. Als je het hebt over hergebruik van slib en biomassa voor bodemverbetering, merk je dat het een veld is waar nog niet veel over gepubliceerd is. Er is wel kennis aanwezig, maar die is nog niet gedocumenteerd in wetenschappelijke literatuur. Blijkbaar is het dus een veld in ontwikkeling. Nog een andere reflectie uit onze groep: de transitie is aanbod-gedreven. Met andere woorden: er komt een berg slib of grond vrij, en dan wordt er gekeken wat te doen. Maar de vragen zitten meer in de toepassing.”

‘Marktplaats voor bodem’

“De ambitie vanuit onze groep -de kenniswereld- is om in 2030 inzicht te hebben in de effecten van het hergebruik van bodem en biomassa op de bodemkwaliteit. En ook om een methodiek te ontwikkelen om vraag en aanbod goed te matchen. Daarvoor hebben we zelfs al een heel programma bedacht. Dat begint met het samenstellen van een lijst van indicatoren waarmee we de pilots kunnen gaan monitoren en inzicht kunnen krijgen in de effecten. Om dat te financieren gaan we eerst op zoek naar geld. Ook formuleren we een visie c.q. onderzoeksplan. Belangrijk punt daarbij is het organiseren van een gedegen databestand om alle gegevens te kunnen vergelijken. Daar zullen we een platform voor moeten ontwikkelen. Ten slotte willen we ook een praktisch platform ontwikkelen. Een soort Marktplaats voor bodem, waar vrijkomend materiaal op een transparante manier wordt aangeboden.”

Beleid

Een woordvoerder (werkzaam bij het Ministerie van I&W): “We willen allemaal een circulaire economie en daar maakt circulair terreinbeheer deel van uit. Daartoe kijken we opnieuw naar allerlei regels om circulair terreinbeheer mogelijk te maken, maar het aanpassen van (Europese) regels kost nu eenmaal tijd. Er hoort bovendien een voorwaarde bij die we wel eens vergeten, namelijk dat het nieuwe werken wel duurzaam moet blijven. De bestaande regels zijn er immers om de kwaliteit van het water en de bodem te beschermen. Als je regels verandert, moet je de milieukwaliteit op een andere manier borgen.

Verder kwam ter sprake dat de pilots ook voor beleidsmensen heel erg belangrijk zijn. Pilots zijn bedoeld om van te leren, en daarom moeten ze gekoppeld zijn aan een gedegen onderzoekstraject. Als dat niet het geval is, moeten ze niet gebeuren want dan hebben we er niets aan. Ter vergelijking: voor de pilots over bermmaaisel werken we in twee fasen: eerst kijken we wat op korte termijn gewenst is, en dan wat er op langere termijn aan beleid en regels moet veranderen. We willen dus helpen om de pilots daadwerkelijk van de grond te krijgen. Maar dat moet dan wel binnen de wettelijke kaders gebeuren. En dat gebeurt ook al.”

Omgevingswet

“Nieuw aandachtspunt is de Omgevingswet. Veel bestaande milieuregels gaan op in de Omgevingswet, en zo ook die van de bodemregelgeving. De Omgevingswet zorgt bovendien voor decentralisatie. De gemeenten kunnen vanaf 2021 eigen accenten leggen in hoe de zaken geregeld worden. Wat dat allemaal gaat betekenen voor circulair terreinbeheer is nog niet duidelijk. Daar moeten we dus acties voor gaan organiseren. Het ministerie van I&W hoort daarom graag welke witte vlekken er zijn. Vervolgens kunnen we dan een link leggen met de beleidsmensen die gaan over de Omgevingswet. Daar hebben we wel dat huiswerklijstje voor nodig.

Laatste punt: aandacht voor het thema klimaat. Ook bij circulair terreinbeheer moeten we zorgen dat er geen negatieve effecten zijn voor het klimaat. Wellicht is er een soort afwegingskader nodig. We moeten er grip op krijgen, want klimaatvragen zullen heel relevant worden.”

Vergunningverlening en Handhaving

Een woordvoerder (werkzaam bij Rijkswaterstaat): “Onze transitietafel over vergunningverlening heeft vandaag veel klanten gehad! De materie wordt als complex ervaren. Daar moeten we in Nederland toch vooral de certificerende instanties voor aankijken. Die moeten het huiswerk goed doen, dat maakt het voor de klant een stuk eenvoudiger. Met andere woorden: onderzoeken moeten worden uitgevoerd zoals we hebben afgesproken. Dat is de afspraak tussen markt en overheid. De markt kan blijkbaar moeilijk voldoen aan die afspraak, en daarom zitten we nu met de nodige afkeur aan bewijsmiddelen omdat die niet volgens de normen zijn uitgevoerd. Dat levert een project onnodig veel vertraging op.”

Meer inzicht in regionale ketens

“We moeten ons realiseren dat er in de huidige wetgeving al heel veel mogelijk is. Het Besluit Bodemkwaliteit was immers bedoeld om juist aan de voorkant van een project te kijken wat je met de reststromen c.q. baggerspecie kunt doen. De uitvoering daarvan is echter verzand. Pas wanneer er materiaal vrijkomt gaan mensen bedenken wat ze ermee willen. Dan wordt vaak voor de snelle oplossing gekozen: bergen in een diepe put. Een gemiste kans. Als we al aan de voorkant meer tijd zouden investeren, en eerst de regionale vraag en aanbod zouden verkennen, zouden er hele korte ketens kunnen ontstaan. Denk aan het gebruiken van grond uit de uiterwaarden voor de boomtelers. Die grond hoeft alleen maar over de dijk. We kunnen zoveel meer met ons slib. Denk aan het tegengaan van veenoxidatie en het tegengaan van het verschralingsproces van de grond. Dan krijgt het materiaal ook daadwerkelijk waarde.”

Een collega-woordvoerder (werkzaam bij een omgevingsdienst) vult aan: “In de groep ging het gesprek ook over de gewenste koers en concrete mijlpalen: waar willen we heen? Een belangrijke mijlpaal is de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Daar is nu nog weinig ervaring mee. Maar het lijkt erop dat er veel kansen ontstaan, omdat gemeenten zelf beleid mogen vaststellen, bijvoorbeeld over de circulaire economie. In Midden Holland werken we al jaren met ‘gebied specifiek beleid’. Daardoor is er meer hergebruik van materiaal mogelijk. Om het te laten werken en kansen te kunnen pakken is het cruciaal dat partners al aan de voorkant van een project met elkaar om de tafel gaat zitten.”

Value case

Een woordvoerder (werkzaam bij Rijkswaterstaat): “In onze groep is nagedacht over de vraag hoe een value case voor het gebruik van slib en biomassa voor bodemverbetering er concreet uit zou kunnen zien. Allereerst: qua ambitie moet een circulaire value case het daarbij altijd winnen van een lineaire. Maar hoe bereik je dat, en welke randvoorwaarden zijn daarbij belangrijk? Gezegd werd dat het belang van de samenleving als geheel moet tellen, niet alleen de financiële winst. De maatschappelijke en de economische belangen moeten we dus samen in zo’n business case betrekken. Belangrijk voor zo’n business case is dat we ook in beeld moeten brengen wat er gebeurt als we niets doen en de negatieve autonome ontwikkeling onverminderd verder gaat. Wat zijn dan bijvoorbeeld de (maatschappelijke) consequenties van bodemdaling? Daarmee moeten we de nieuwe businesscase vergelijken, zodat we de toegevoegde waarde van de handeling duidelijk kunnen maken.”

Rol overheid in business case

“Een ander aandachtspunt in onze werksessie was de rol van de overheid. Die is zowel aanjager van wet- en regelgeving als ook een grote opdrachtgever en inkoper. In beide rollen kan de overheid het gebruik van secundaire grondstoffen stimuleren. Nog aandachtspunt uit de sessie: bij grote werken van Rijkswaterstaat komen er ineens grote hoeveelheden grond en slib tegelijk vrij. We moeten voorkomen dat die grote hoeveelheden de markt gaan verstoren. Als suggestie werd voorgesteld om daarom veel beter te gaan buurten. Dit om koppelingen te kunnen maken tussen grondverzet en de maatschappelijke doelen die er in een regio spelen. Ten slotte een laatste punt: de overheid zou kunnen helpen bij het ontwikkelen van een gezamenlijke taal of methodiek waardoor we beter kunnen praten over de maatschappelijke meerwaarde. De vergelijking met de methodiek van ecosysteemdiensten werd gemaakt. Op die manier kunnen we beter komen tot een dienstenmarkt waarbij we elkaar kunnen helpen, al dan niet met een gesloten beurs.”

Bestuurlijke tafel

Roel van Raaij (RVO/programma Duurzaam Door) meldt terug wat er in de bestuurlijke tafel is gezegd over ambities: ”We hebben het over een complexe problematiek met een heleboel stakeholders, waarbij heel veel verschillende waarden in het geding zijn. Sommige zijn monetaire waarden, maar waarden als het landschap, biodiversiteit en welbevinden zijn nauwelijks meetbaar te maken. Toch is het belangrijk dat we praten over verschillende waarden van bodem. Dat is niet eenvoudig, want bodem is een collectief goed. Van wie is dat dan? Bestuurlijk moet je daar een visie op vormen. Tweede punt is dat we de bodem als gezamenlijke buffervoorraad moeten zien, niet als geïsoleerde activiteiten. Anders is het dweilen met de kraan open.”

Henk Driessen (programma Bodem en Ondergrond/provincie Gelderland) geeft een wrap up over mijlpalen: “In onze tafel is op een wat hoger abstractieniveau gesproken. We hebben geprobeerd om vanuit de brede natuurlijke context te kijken, en niet alleen vanuit het bodem- en slibdossier. Belangrijk is dan dat we bodem en grond niet zien als afval, maar als waardevolle grondstof. Dat maakt in doen en denken heel veel uit. Er zit namelijk ook een gedragsveranderingscomponent in, en daar valt nog veel te halen. De urgentie van de problematiek wordt door veel partijen erkend, maar vaak nog niet zo gevoeld.”

Belang monitoring

Dirk-Siert Schoonman (voorzitter Ambassadeursgroep Biomassa Alliantie) vult aan: “We moeten de ambitie concreet maken en naar mijlpalen toewerken. Vandaag werd al vaker genoemd dat we naar een soort monitoringssysteem voor de bodem moeten toewerken om te kunnen bepalen wat het effect is van de maatregelen die we treffen. Of het nou over biodiversiteit gaat of over het bufferende vermogen van water of over CO2-uitstoot. Ergens moeten we daarvoor kenmerken vaststellen en dan meten wat de vooruitgang is ten opzichte van de doelen die we hebben.

Concrete mijlpaal om de ambitie te realiseren: in 2025 willen we een helder certificeringssysteem hebben voor de bodem waarin alle maatschappelijke doelen zijn verwerkt. Een mijlpaal voor 2030 is dan dat we grond en slib en alle andere biomassamaterialen volledig circulair kunnen inzetten in de sector.

Eerlijk is eerlijk: overheidsinstellingen die hier vandaag aanwezig zijn, gaan praktisch gezien niet over de maatschappelijke waarde van de bodem. Dat is aan de eigenaren van de bodem: de terrein beherende organisaties en de boeren. Die zijn vandaag niet aanwezig. De vraag die opkomt is: hoe komen we tot een verdienmodel waarbij ook de eigenaren van de grond in beweging komen? Daarover moeten we in gesprek met de sector. Dat is een actie die tot breed commitment moet leiden.”

Kwestie van framing

Joost Bunsma (directeur STOWA): “STOWA participeert in een van de pilots. Vandaag speelde mij door het hoofd dat we het onszelf wel heel ingewikkeld hebben gemaakt. Vroeger was het verspreiden van slib heel gewoon, dat gebeurde door overstromingen. Ik weet nog dat er koeienmest gewoon over het land werd verspreid. Een hele normale zaak. Het lijkt dus ook een kwestie van ‘framen’. Het verspreiden van slib zouden we als goede gewone zaak moeten communiceren. Er zijn natuurlijk redenen waarom we in het verleden zijn gestopt met het verspreiden van slib op land, maar je zou kunnen kijken of die redenen nu nog wel valide zijn. Met andere woorden: we moeten met een open mind kijken naar wet- en regelgeving.

Opvallend is ook dat er veel initiatieven tegelijkertijd zijn. Het zou goed zijn als die initiatieven met elkaar worden verbonden. Denk aan het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, en het programma Vitaal Platteland. Daar kan het thema circulair terreinbeheer bij aansluiten. En dan is er de kwestie geld. We moeten niet meteen met een geldbuidel rammelen, want dan springen er mensen op af als ware het een pot met honing. Laten we vooral eerst kijken naar de belangen van de agrariërs zelf. Wat hebben ze nodig? Voor goede initiatieven is er altijd geld te vinden. Ten slotte: er wordt nu erg gekeken naar regelgeving. Maar we zouden ook kunnen kijken naar beloning. Denk daarbij aan de afspraken uit het Klimaatakkoord. Verder is mij gevraagd of ik wil aansluiten bij de ambassadeursgroep, en ik heb ja gezegd.”

Per tafel zijn gedetailleerde verslagen gemaakt met werkafspraken. Meer informatie: info@circulairterreinbeheer.nl