Eind 2020 is Wageningen Universiteit en Research (WUR) gestart met de uitvoering van het Circulair Terreinbeheer kennisprogramma. In totaal hebben zich 55 pilots aangemeld voor deelname aan dit programma.

Over het Kennisprogramma

Het Kennisprogramma CT heeft tot doel om inhoudelijke bouwstenen aan te reiken voor nieuw circulair beleid. Dit beleid zou circulair terreinbeheer moeten faciliteren, met bodemverbetering als een speerpunt. Het Kennisprogramma richt zich op de grondstoffen maaisel en blad. Ter voorbereiding voerde WUR in het voorjaar van 2020 een inventarisatie uit van bestaande kennis. De bestaande informatie laat zien dat het mogelijk is om van lokale groene reststromen een in potentie geschikte bodemverbeteraar te maken. Een nadeel van die informatie is echter ook dat resultaten van verschillende studies slecht met elkaar te vergelijken zijn. Dat komt niet alleen door verschillen in protocol (hope maak je bokashi) maar ook door verschillen in dosering, landgebruik en gemeten eigenschappen en effecten. Dat maakt dat er behoefte is aan een meer consistent meetprogramma om een beter beeld te krijgen van wat bokashi nu is en wat het betekent voor de ontvangende bodem.

Op basis van de inventarisatie is een overzicht gemaakt van openstaande kennisvragen. Het programma CT, WUR en de ministeries van IenW en LNV hebben hieruit de vragen geselecteerd die het meest urgent zijn voor nieuw beleid. Dit gebeurde met behulp van een risicoanalyse (RISMAN-methode). Kennis over het beheersen van risico’s is immers belangrijk om tot nieuw beleid te komen. De geselecteerde kennisvragen richten zich niet alleen op de bescherming van milieu en bodem, maar juist ook om de verbetering ervan.

Over de aangesloten pilots

Vijfenvijftig pilots hebben zich aangesloten bij het kennisprogramma CT. Voor die pilots geldt o.a. dat er minimaal 3 jaar dezelfde bodemverbeteraars op hetzelfde perceel worden toegepast. Ter vergelijking wordt een deel van het perceel onbehandeld gelaten. Verder vullen alle pilots de Checklist Zorgplicht Maaisel en Blad onder begeleiding van een van de coördinatoren van CT in en houden zij een logboek bij van ontwikkelingen.

Met de Omgevingsdiensten is besproken dat de bij het Kennisprogramma aangesloten pilots een vergunning of ontheffing kunnen aanvragen en toegekend kunnen krijgen voor het lokaal maken/toepassen van compost en bokashi. Omdat zij zijn aangesloten bij het Kennisprogramma voldoen ze aan de voorwaarde dat een pilot gepaard gaat met wetenschappelijk onderzoek, dat bijdraagt aan beleidsverandering. De Omgevingsdiensten hebben ook aangegeven dat pilotprojecten die hieraan niet voldoen zeer waarschijnlijk geen vergunning en ontheffing kunnen krijgen. Als deze pilots toch worden uitgevoerd, zijn deze illegaal.

De aanmeldtermijn voor pilots is verstreken. Het programma CT is wel geïnteresseerd in de eventuele behoefte van andere pilots om aan te sluiten bij het Kennisprogramma. Dus: heb je interesse, meld dat dan via info@circulairterreinbeheer.nl.

Wat gaat het kennisprogramma doen?

Paul Römkens van WUR vertelt: ‘In ons onderzoek staan de 55 aangesloten pilots CT centraal. In de praktijk gaan we het volgende doen:

  • We gaan 80 monsters nemen van de bodemverbeteraars en die op uniforme wijze analyseren.

  • We hebben budget om bij de 55 aangesloten pilots de uitgangssituatie van de bodem te monitoren, d.w.z. de bodem zoals die is voordat bokashi wordt gebruikt. Met die informatie kunnen we later het effect van bodemverbeteraars bepalen. We passen daarvoor ‘standaardbodemonderzoek’ toe. Omdat veel (andere) pilots deze onderzoeken zelf ook uitvoeren, kunnen we hun resultaten ook gebruiken.

  • Datzelfde bodemonderzoek voeren we ook een aantal weken na de toediening van bokashi uit om zo de korte termijneffecten op onder andere bodemleven en beschikbare nutriënten te meten.

  • We gaan meerjarige veldproeven doen op drie WUR proeflocaties met verschillende typen bokashi (maaisel en blad) en compost, die afkomstig zijn uit enkele pilots. Wat betekenen bodemverbeteraars bijvoorbeeld voor het gehalte aan organische stof en nutriënten wanneer je dat vergelijkt met gebruik van dierlijke mest of kunstmest?

  • We nemen de resultaten van de pilots zelf mee in onze resultaten. Zij maken bijvoorbeeld logboeken waarin zij in woord en beeld informatie vastleggen over o.a. de ontwikkeling van de bodem, de groei van gewassen, onkruiddruk, ziekten en plagen, wateroverlast en droogte.’