Naar de hoofdinhoud

Nieuws

Impressie van de landelijke CT-dag 2026

14-7-2026 Nieuws
Impressie van de landelijke CT-dag 2026

‘Oogsten’ was het thema van de twaalfde landelijke dag van het programma Circulair Terreinbeheer, op 11 juni 2026 bij circulair centrum De HER in Rotterdam. Na jaren van pilots, onderzoek en samenwerking stond de opbrengst centraal: wat is er geleerd en hoe kan die kennis verder worden gebruikt? In de ochtend bezochten deelnemers een perenkweker in de Hoeksche Waard. In de middag leidde dagvoorzitter Frans Scheepens hen door een programma met plenaire bijdragen en twee rondes werksessies.

Ochtend: excursie naar perenboomgaard

De dag begon met een excursie naar de biologische perenboomgaard van Fred van de Erve in Goudswaard. Samen met Rolf Balvert van GKB Groep vertelde hij over het bedrijf, de toepassing van bokashi als bodemverbeteraar en de ervaringen met de bodem en de perenteelt. Daarna bekeken de deelnemers de boomgaard van dichtbij.
Tijdens de busreis vertelde Bob Klein Lankhorst over ‘Antonie’, een organisatie die gespecialiseerd is in onderzoek naar het bodemleven en de biologische eigenschappen van de bodem.

Middagprogramma: de oogst moet je delen; delen is vermenigvuldigen

Het middagprogramma begon met een welkom door Mark den Oever, algemeen manager van De HER. Hij vertelde dat De HER liever spreekt over ‘doorgeven’ dan over het abstracte begrip circulaire economie: bijna elke gemeenschap geeft spullen al door, zoals babykleertjes, maar bij veel andere materialen spreken we ineens over afval.

Namens de gemeente Rotterdam heette Carolien van Eykelen de deelnemers welkom en blikte terug op hoe Rotterdam in 2017 met bokashi begon. “Dat er nu met zoveel mensen in het land wordt gewerkt om iets wat vanzelfsprekend is ook geregeld te krijgen, vind ik heel erg mooi.”

Simon Moolenaar van Wageningen Environmental Research lichtte toe wat het vijfjarige CT-kennisprogramma bijzonder maakt: de brede samenwerking tussen veel partijen en de circa zestig pilots door het hele land. Onderzoek is volgens hem ook niet meer alleen kennis opleveren en “doe er maar iets mee”. Beleid, praktijk en wetenschap raken steeds sterker met elkaar verbonden.

Joop Spijker overhandigde hem vervolgens een handzame samenvatting van de onderzoeksresultaten, waarna de deelnemers samen op de foto gingen.

Interactieve werksessies

De deelnemers konden kiezen uit de volgende interactieve werksessies:

Resultaten CT Kennisprogramma: fysisch en chemisch
René Rietra, Joop Spijker en Lotte Stokkermans van WUR namen deelnemers mee in de resultaten over organische stof, nutriënten, bodemstructuur, water en productkwaliteit. De belangrijkste boodschap was dat lokale bodemverbeteraars kunnen bijdragen aan de bodemkwaliteit, maar dat de materialen sterk verschillen. De werking hangt af van het product, de dosering, de bodem en de toepassing. Ook werd benadrukt dat goede kwaliteitsborging nodig blijft, vooral voor fysieke verontreinigingen en kiemkrachtige zaden. Lees meer…

Resultaten CT Kennisprogramma: bodembiologie
Gerard Korthals van WUR liet zien hoe bokashi en andere organische bodemverbeteraars doorwerken in het levende deel van de bodem. Vooral bij hogere doseringen werden veranderingen gevonden in de verhouding tussen schimmels en bacteriën en in de aaltjesgemeenschap. Aaltjes bleken soms gevoeliger te reageren dan de micro-organismen. De effecten waren bovendien afhankelijk van grondsoort, gewas, seizoen en moment van meten. Lees meer…

Van pilot naar praktijk in Rotterdam
Carolien van Eykelen, Benjamin Mensinga en Kees de Vette vertelden hoe de Rotterdamse bokashipilot in ongeveer zes jaar onderdeel werd van het reguliere groenbeheer. De toepassing leverde op verschillende locaties minder ongewenste kruidengroei, minder onderhoud en vitalere beplanting op, maar de kwaliteit van het ingezamelde blad bleek daarbij cruciaal.
Verder stelde de gemeente een eigen toetsingskader vast voor bokashi, met voorwaarden voor schoon inzamelen, bewerken, bemonsteren en toepassen. Lees meer…

Werksessie Route Gebruik: ervaringen delen tussen regio’s
De werksessie over de Route Gebruik bracht deelnemers uit verschillende provincies samen: sommigen al ver met lokaal hergebruik van maaisel, anderen nog aan het begin. De rode draad: de praktische organisatie is vaak al ver gevorderd, terwijl juridische duidelijkheid en afstemming met de omgevingsdienst de laatste hobbel vormen. Lees meer…

Plenaire afsluiting: trots op volharding en samenwerking

Aan het einde van de dag stond Frans Scheepens stil bij een bijzonder moment: zoals het er nu uitziet, was dit de laatste landelijke dag van Circulair Terreinbeheer in deze vorm. „Al staat het iedereen vrij om er volgend jaar zelf een te organiseren”, voegde hij eraan toe.

Joop Polvliet, directeur Openbare Werken van de gemeente Rotterdam, noemde zich trots op de volharding van zijn collega’s: “Er zijn veel mensen die hart en ziel in dit project hebben gestoken.”
Daarna kregen sleutelfiguren van CT (waaronder het transitieteam) het podium. Ieder vertelde waar hij of zij het meest trots op is.
De partners uit het onderzoek en de betrokken hogescholen werden bedankt, waarna alle begeleiders van de werksessies naar voren werden gevraagd en een fles perensap uit de Hoeksche Waard kregen. Lees meer…

Interactieve werksessies

De deelnemers konden kiezen uit de volgende interactieve werksessies:

Resultaten CT Kennisprogramma: fysisch en chemisch
René Rietra, Joop Spijker en Lotte Stokkermans van WUR namen deelnemers mee in de resultaten over organische stof, nutriënten, bodemstructuur, water en productkwaliteit. De belangrijkste boodschap was dat lokale bodemverbeteraars kunnen bijdragen aan de bodemkwaliteit, maar dat de materialen sterk verschillen. De werking hangt af van het product, de dosering, de bodem en de toepassing. Ook werd benadrukt dat goede kwaliteitsborging nodig blijft, vooral voor fysieke verontreinigingen en kiemkrachtige zaden. Lees meer…

Resultaten CT Kennisprogramma: bodembiologie
Gerard Korthals van WUR liet zien hoe bokashi en andere organische bodemverbeteraars doorwerken in het levende deel van de bodem. Vooral bij hogere doseringen werden veranderingen gevonden in de verhouding tussen schimmels en bacteriën en in de aaltjesgemeenschap. Aaltjes bleken soms gevoeliger te reageren dan de micro-organismen. De effecten waren bovendien afhankelijk van grondsoort, gewas, seizoen en moment van meten. Lees meer…

Van pilot naar praktijk in Rotterdam
Carolien van Eykelen, Benjamin Mensinga en Kees de Vette vertelden hoe de Rotterdamse bokashipilot in ongeveer zes jaar onderdeel werd van het reguliere groenbeheer. De toepassing leverde op verschillende locaties minder ongewenste kruidengroei, minder onderhoud en vitalere beplanting op, maar de kwaliteit van het ingezamelde blad bleek daarbij cruciaal.
Verder stelde de gemeente een eigen toetsingskader vast voor bokashi, met voorwaarden voor schoon inzamelen, bewerken, bemonsteren en toepassen. Lees meer…

Werksessie Route Gebruik: ervaringen delen tussen regio’s
De werksessie over de Route Gebruik bracht deelnemers uit verschillende provincies samen: sommigen al ver met lokaal hergebruik van maaisel, anderen nog aan het begin. De rode draad: de praktische organisatie is vaak al ver gevorderd, terwijl juridische duidelijkheid en afstemming met de omgevingsdienst de laatste hobbel vormen. Lees meer…

Plenaire afsluiting: trots op volharding en samenwerking

Aan het einde van de dag stond Frans Scheepens stil bij een bijzonder moment: zoals het er nu uitziet, was dit de laatste landelijke dag van Circulair Terreinbeheer in deze vorm. „Al staat het iedereen vrij om er volgend jaar zelf een te organiseren”, voegde hij eraan toe.

Joop Polvliet, directeur Openbare Werken van de gemeente Rotterdam, noemde zich trots op de volharding van zijn collega’s: “Er zijn veel mensen die hart en ziel in dit project hebben gestoken.”
Daarna kregen sleutelfiguren van CT (waaronder het transitieteam) het podium. Ieder vertelde waar hij of zij het meest trots op is.
De partners uit het onderzoek en de betrokken hogescholen werden bedankt, waarna alle begeleiders van de werksessies naar voren werden gevraagd en een fles perensap uit de Hoeksche Waard kregen. Lees meer…

Resultaten van het CT Kennisprogramma: fysisch en chemisch

René Rietra, Joop Spijker en Lotte Stokkermans van WUR namen deelnemers mee in de resultaten over organische stof, nutriënten, bodemstructuur, water en productkwaliteit. De belangrijkste boodschap was dat lokale bodemverbeteraars kunnen bijdragen aan de bodem, maar dat de materialen sterk verschillen. De werking hangt af van het product, de dosering, de bodem en de toepassing. Ook werd benadrukt dat goede kwaliteitsborging nodig blijft, vooral voor fysieke verontreinigingen en kiemkrachtige zaden.

Van pilots en veldproeven naar bruikbare getallen

De sessie startte met de vraag waarom dit onderzoek er eigenlijk moest komen. Lokaal geproduceerde bodemverbeteraars zoals bokashi passen nog niet zomaar in de huidige wetgeving. Daarom moest eerst worden uitgezocht wat ze met de bodem doen en of ze veilig zijn voor mens en milieu.

Het onderzoek combineerde drie soorten data: zestig praktijkpilots verspreid over Nederland, laboratoriumproeven met materiaal uit een deel van diezelfde pilots, en drie langlopende veldproeven met een eigen referentieperceel. Daarnaast liepen er aanvullende onderzoekslijnen van Hogeschool Van Hall Larenstein en HAS Green Academy.

Hoeveel organische stof blijft over?

Een belangrijk onderwerp was de afbreekbaarheid van organische stof. Daarvoor is de ‘humificatiecoëfficiënt’ van belang: het aandeel van de aangevoerde organische stof dat na één jaar nog in de bodem aanwezig is. Dat is als het ware de bijdrage aan de opbouw van organische stof.

De onderzochte groencompost had de hoogste waarde: na een jaar was nog ongeveer 90 tot 95 procent aanwezig. Ook bladbokashi scoorde relatief hoog. Rietra lichtte toe dat het onderzochte blad erg droog was en in de proeven langzaam afbrak, waardoor het een forse bijdrage leverde aan de organische stof. Bij bewerkt maaisel liep de humificatiecoëfficiënt sterker uiteen: op sommige locaties werden onverwacht hoge waarden gevonden, maar de spreiding was groot.

Daarna werd gekeken naar de bodem zelf. In de veldproeven waren na enkele jaren de eerste effecten zichtbaar. Op kleigrond was bij hoge doseringen een lichte toename van organische stof meetbaar; op de onderzochte zandgronden bleef het gehalte ongeveer gelijk.

Bij de praktijkpilots was het beeld gevarieerder. De onderzoekers wezen erop dat verschillen in perceelgeschiedenis, grondbewerking en gebruik een vergelijking tussen percelen mét en zonder toepassing van bodemverbeteraars soms lastig maken.

Download Samenvatting resultaten kennisprogramma 2021-2026

Stikstof en fosfaat: rekening houden met tijdelijke vastlegging

De sessie maakte duidelijk dat lokale bodemverbeteraars niet hetzelfde werken als een snelwerkende meststof. De fosfaatbeschikbaarheid was laag en ook van de stikstof kwam maar een deel snel beschikbaar. Bij materialen met veel koolstof kan het bodemleven tijdelijk stikstof uit de bodem gebruiken. Dat werd niet als per definitie negatief uitgelegd, maar wel als iets waarmee een agrariër bij de bemesting rekening moet houden.

In de discussie kwam ook naar voren dat de gemeten werking over meerdere jaren niet één op één overeenkomt met de wettelijke werkingscoëfficiënt, die naar het eerste jaar kijkt. Over een periode van drie jaar mat het team 6 tot 33 procent bij bokashi van maaisel, tegenover 2 procent bij groencompost. De vertaling van getallen naar regelgeving vraagt nog om keuzes.

Een lichtere bodem, maar water blijft een lastig verhaal

Voor de fysische bodemkwaliteit was de verwachting dat meer organische stof zou leiden tot een lagere bodemdichtheid, een groter watervasthoudend vermogen en een betere doorlatendheid. In de gecontroleerde veldproeven werd inderdaad een lagere bodemdichtheid gemeten op behandelde locaties. Een duidelijk effect op het watervasthoudend vermogen kwam daar echter niet naar voren.

In de praktijkpilots hielden behandelde bodems onder natte omstandigheden meer water vast dan de onbehandelde referentiepercelen. Mogelijk komt dat omdat de praktijklocaties vaak al jarenlang en soms met hogere doseringen waren behandeld, terwijl de veldproeven een kortere looptijd hadden en de metingen daar sterk varieerden.
Bij een afzonderlijke proef met bokashi als mulchlaag werd geen aantoonbaar effect op de infiltratiesnelheid gevonden.

Kwaliteit, zaden en juridische vragen

Fysieke verontreinigingen blijven een belangrijk aandachtspunt. Volgens de onderzoekers zijn ze beheersbaar, maar alleen wanneer vanaf de bron zorgvuldig wordt gewerkt en een goed kwaliteitssysteem wordt gebruikt. Ook werd gemeld dat het proces niet leidt tot een verhoogd risico op azoolresistente Aspergillus fumigatus.

Over kiemkrachtige zaden ontstond een levendige discussie. In het merendeel van de onderzochte materialen was geen of weinig kiemkracht gevonden. Tegelijkertijd waarschuwden deelnemers om bij invasieve soorten, zoals Japanse duizendknoop, geen onnodig risico te nemen en zulke stromen gescheiden te houden. Een deelnemer vroeg om duidelijker onderscheid te maken tussen toepassing in het openbaar groen en in de landbouw.

In de discussie kwam ook de onzekerheid aan bod voor gemeenten die na afloop van een pilot verder willen. Als tijdelijke mogelijkheden werden samenwerking met een omgevingsdienst en verlenging binnen het onderzoek genoemd. Ook de Rotterdamse zelfbeoordeling kwam ter sprake als een mogelijke juridische route. Tegelijk bleef de behoefte aan een structurele, meerjarige oplossing bestaan.

Resultaten van het CT Kennisprogramma: bodembiologie

Gerard Korthals liet zien hoe bokashi en andere organische bodemverbeteraars doorwerken in het levende deel van de bodem. Vooral bij hogere doseringen werden veranderingen gevonden in de verhouding tussen schimmels en bacteriën en in de aaltjesgemeenschap. Aaltjes bleken soms gevoeliger te reageren dan de micro-organismen. De effecten waren bovendien afhankeijk van grondsoort, gewas, seizoen en moment van meten.

De bodem als levend voedselweb

Korthals begon met een rondleiding door het bodemvoedselweb: bacteriën, schimmels, springstaarten, aaltjes, wormen en grotere bodemdieren. Hij legde uit dat bodembiologie dynamischer is dan veel chemische metingen en dat de keuze wat je meet altijd moet aansluiten op de functie waarnaar je zoekt.

In intensief gebruikte landbouwbodems domineren vaak bacteriën, terwijl schimmels meer ruimte krijgen in minder intensieve systemen. Grondbewerking kan schimmelnetwerken telkens beschadigen. Wanneer organisch materiaal voortdurend wordt geoogst en afgevoerd, raakt de bodem bovendien uitgeput. Het terugbrengen van organische stof, bijvoorbeeld via bokashi of compost, werd daarom geplaatst in een breder verhaal over bodemherstel en het sluiten van kringlopen.

Schimmels, bacteriën en aaltjes reageren niet hetzelfde

De verschillen in totale microbiële activiteit waren vaak beperkt en niet altijd significant. De verhouding tussen schimmels en bacteriën liet op verschillende momenten duidelijker veranderingen zien, vooral bij hogere doseringen. De aaltjesgemeenschap reageerde nog gevoeliger. Bij organische-stoftoevoegingen namen bacterie-etende aaltjes geregeld toe, wat past bij tijdelijk meer voedsel in de bodem.

Hij benadrukte ook dat één bokashiproduct niet representatief is voor alle bokashi: recept, ingangsmateriaal en proces kunnen per maker en per jaar verschillen, terwijl het onderzoek bewust alleen het uiteindelijke effect volgde, niet het recept zelf.

Seizoenen en gewassen doen ertoe

Een meerwaarde van het programma was dat op meerdere momenten in het seizoen werd gemeten. Daardoor werd zichtbaar dat aantallen bodemorganismen gedurende het jaar kunnen pieken en dalen. Ook grondsoort en gewas speelden een rol. Trends in de bodembiologie waren op zand en klei vaak vergelijkbaar, maar gewasgroei en andere bodemeigenschappen konden anders reageren.

Download Samenvatting resultaten kennisprogramma 2021-2026

Bodemverbetering en opbrengst moeten samen worden bekeken

Bij bokashi en compost zonder aanvullende stikstof bleef de opbrengst op korte termijn ongeveer 10 tot 20 procent achter bij volledig bemeste behandelingen, maar lag wel duidelijk boven de geheel onbemeste controle. In de praktijk kan een boer dit binnen de gebruiksnorm bijbemesten en zelf afwegen wat de kortetermijnopbrengst waard is tegenover langetermijnbaten voor bodemstructuur, bodemleven en waterhuishouding.

De praktische boodschap was daarom maatwerk: organische stof terugbrengen kan het bodemleven ondersteunen, maar het moment, het gewas en de aanvullende bemesting bepalen mede het resultaat. De effecten zijn niet ieder jaar exact hetzelfde, en juist die dynamiek moet worden meegenomen bij de vertaling naar de praktijk.

Download Presentatie landelijke CT dag 2026

Van pilot naar praktijk in Rotterdam

Carolien van Eykelen, Benjamin Mensinga en Kees de Vette vertelden hoe de Rotterdamse bokashipilot in ongeveer zes jaar onderdeel werd van het reguliere groenbeheer. De toepassing leverde op verschillende locaties minder ongewenste kruidengroei, minder onderhoud en vitalere beplanting op, maar de kwaliteit van het ingezamelde blad bleek daarbij cruciaal. Verder stelde de gemeente een eigen toetsingskader vast voor bokashi, met voorwaarden voor schoon inzamelen, bewerken, bemonsteren en toepassen.

Drie miljoen kilo blad en planten

In Rotterdam komt jaarlijks ongeveer drie miljoen kilo blad van verharding vrij. Dat blad kan niet blijven liggen en kan ook niet allemaal rechtstreeks in plantvakken worden geveegd. Tegelijkertijd constateerde Openbare Werken dat bomen en planten in de stad als het ware “op dieet staan”, omdat jaarlijks veel organisch materiaal en nutriënten worden afgevoerd. De vraag was daarom: kan dat blad iets voor de bodem betekenen in plaats van te worden afgevoerd?Daarom werd een pilot gestart met bokashi.

Vanaf het begin werd WUR betrokken om de kwaliteit van het blad te volgen. De belangrijkste praktijkles was dat het ingangsmateriaal zo schoon mogelijk moet zijn. Na verkleinen, aanstampen en fermenteren is vervuiling nauwelijks nog uit de compacte massa te halen. Schoon inzamelen vraagt veel van de reinigingsteams, maar werd door de sprekers als onmisbaar gezien.

De pilot maakte bodemleven tastbaar

“Ik vergelijk bokashi vaak met zuurkool: door fermentatie wordt het rijker aan grondstoffen en gezonder,” zei Carolien. “Zonder iemand te willen beledigen, vergelijk ik het bodemleven ook wel met ons darmstelsel. Darmbacteriën helpen ons voedsel omzetten; voor bomen en planten vervult het bodemleven een vergelijkbare rol.”

De pilot maakte circulair werken concreet: blad uit de stad wordt in de stad verwerkt en opnieuw in de stad toegepast.

Dat leidde ook tot andere keuzes bij de aanleg van de buitenruimte. In plaats van een plantvak in de zomer snel met nieuwe beplanting op te leveren, wordt bijvoorbeeld geëxperimenteerd met eerst de bodem verbeteren en bedekken en pas later de definitieve planten aanbrengen.

Meten in plantvakken

De gemeente volgde vergelijkbare plantvakken met en zonder bokashi. Daarbij werd gekeken naar kruidendruk, vocht, temperatuur, plantontwikkeling en uitval. Op sommige plekken werden ook drones en LiDAR ingezet om plantvolume en dichtheid van bovenaf te volgen. Op verschillende locaties zagen de betrokkenen minder ongewenste kruidengroei, minder schoffelwerk en een vitalere beplanting op de behandelde helft. Op droge en schrale plekken bleef de bodem onder de mulchlaag langer vochtig.

Kees liet zien wat hij bij het graven in de proefvakken tegenkwam. Op behandelde plekken zag hij duidelijke wormgangen, waarlangs organisch materiaal dieper de bodem in werd getrokken. Ook voelde de bovenlaag er minder compact aan. In de bovenste tien centimeter mat hij op een specifieke locatie ongeveer 2 tot 3 procent organische stof in de onbehandelde bodem, tegenover meer dan 10 procent na enkele jaren bokashitoepassing. Het ging daarbij om een praktijkwaarneming op één locatie.

De winst zat niet alleen in de beplanting. Langs drukke wegen kan iedere onderhoudsronde tijdelijke verkeersmaatregelen vragen. Voor één traject werd tijdens de sessie een mogelijke besparing van ongeveer 17.000 euro per jaar genoemd wanneer het aantal onderhoudsbeurten sterk kan worden teruggebracht.

Niet overal hetzelfde product

Rotterdam wil niet al het blad tot bokashi verwerken. Een deel blijft liggen, wordt verkleind, gecomposteerd of als bladmulch gebruikt. De sprekers benadrukten dat de situatie bepaalt wat nodig is: soms compost, soms bokashi en soms zo min mogelijk ingrijpen.

In een proeftuin in de Rotterdamse haven wordt verder onderzocht welke aanpak waar het beste past. Daar worden Rotterdamse grond, bokashi, biochar, groenbemesters en verschillende soorten beplanting gecombineerd. Sensoren en een weerstation volgen onder meer de vochthuishouding.

Van proef naar het primaire proces

Sinds maart staat bokashi als maatregel in het nieuwe groenbestek. Aannemers kunnen daardoor op kaarten zien waar het moet worden toegepast en de werkwijze wordt onderdeel van het reguliere proces van Openbare Werken.

Een tweede grote stap was het eigen toetsingskader dat het college vaststelde, tijdens de sessie aangeduid als een ‘zelfbeoordeling’. Daarmee zegt de gemeente niet alleen dat het blad geen afval meer is, maar legt zij zichzelf ook voorwaarden op. Iedere bokashihoop wordt bemonsterd en een partij die niet aan de eisen voldoet, wordt niet gebruikt. De zelfbeoordeling werd gepresenteerd als eigen verantwoordelijkheid, niet als een gemakkelijke uitweg uit regels.

Route Gebruik: ervaring delen tussen regio’s

De werksessie over de Route Gebruik bracht deelnemers uit verschillende provincies samen: sommigen al ver met lokaal hergebruik van maaisel, anderen nog aan het begin. De rode draad: de praktische organisatie is vaak al ver gevorderd, terwijl juridische duidelijkheid en afstemming met de omgevingsdienst nog een hobbel vormen.

De sessie begon met de oproep om ervaring niet in de zaal te laten liggen. Wie vastliep in het juridische spoor of bij het organiseren van agrariërs, kon in gesprek met deelnemers uit onder meer Drenthe, Utrecht, Gelderland, Zeeland en Noord-Brabant.

Vanuit Drenthe werd verteld dat er al belangstelling was van ongeveer tachtig boeren en dat ook gemeenten enthousiast waren. De Route Gebruik werd daar juist als de laatste grote hobbel ervaren.

Bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden was de route op de duurzaamheidstafel en bestuurlijk besproken. Er werd gewerkt aan een samenwerkingsovereenkomst en een coöperatie in oprichting, met locaties in Kockengen en Langbroek.

Vanuit Zeeland werd de gebiedsgerichte aanpak in Oost-Zeeuws-Vlaanderen toegelicht. Binnen het grensoverschrijdende Grenspark Groot Saeftinghe worden kansen uit de praktijk verbonden aan beleidsopgaven en wordt samengewerkt met partijen in Vlaanderen.

Vanuit Gelderland vertelde een vertegenwoordiger van Stichting Soil Valley over de samenwerking rond bodemgezondheid en regeneratieve landbouw. De stichting werkt daarbij samen met boeren, decentrale overheden, waterschappen en onderwijsinstellingen, begeleidde eerder de gemeente Ede en verzamelt ervaringen uit verschillende initiatieven.

Al met al was het een levendige werksessie waarin veel praktijkkennis werd uitgewisseld. Mocht je naar aanleiding van dit bericht zelf vragen hebben over de Route Gebruik, neem dan contact op met het programma Circulair Terreinbeheer (info@circulairterreinbeheer.nl).

Plenaire afsluiting: trots op volharding en samenwerking

Aan het einde van de dag stond dagvoorzitter Frans Scheepens stil bij een bijzonder moment: zoals het er nu uitziet, was dit de laatste landelijke dag van Circulair Terreinbeheer in deze vorm. “Al staat het iedereen vrij om er volgend jaar zelf een te organiseren”, voegde hij eraan toe.

Meer dan tien jaar pionieren, onderzoeken en samenwerken kwamen samen in de afsluiting van deze landelijke dag. De vraag bleef hangen: was dit het einde, of juist een nieuw begin?

Joop Polvliet, directeur Openbare Werken van de gemeente Rotterdam, noemde zich vooral trots op de volharding van collega’s: “Er zijn veel mensen die hart en ziel in dit project hebben gestoken: van medewerkers van Reiniging en groenbeheerders tot aannemers en onderzoekers.”

Daarna kregen het transitieteam (Joyce Zuidam, Leon Claassen, Carolien van Eykelen, Joop van de Wiel, Wouter Lenferink, Astrid Meier en Amar Sjauw En Wa-Windhorst) en twee andere sleutelfiguren het podium: Joop Spijker en Marja Hamilton. Zij vertelden waar zij het meest trots op zijn.

Carolien noemde de samenwerking binnen en buiten de gemeente: “Binnen een aanbestedingsrelatie is zo’n langdurige samenwerking niet vanzelfsprekend, maar bij vragen over regelgeving en transitie bleven we elkaar vasthouden.”

Joyce blikte terug op haar eigen doorzettingsvermogen: “Soms heb ik mij als een enigszins driftig kind in de porseleinkast gedragen, maar we hebben wel een nieuwe taal ontwikkeld. En we hebben een kennisprogramma gemaakt waarin wetenschap en praktijk elkaar werkelijk ontmoeten.” Ze sprak de hoop uit dat de ministeries de resultaten nu oppakken.

Marja ging terug naar het allereerste begin: het idee om biomassa uit terreinbeheer in te zetten voor de landbouw, terwijl die stroom daar formeel niet vanzelfsprekend thuishoorde. “Daar was lef voor nodig, maar ook de bereidheid om ondanks tegenslagen door te blijven gaan.” Joop Spijker vulde aan: rond 2013 werd in de IJsselvallei een biomassa-alliantie ondertekend; het duurde daarna nog zeven jaar voordat het grote onderzoeksprogramma echt van start ging. Wouter zei geïnspireerd te zijn geraakt door dat lange doorzettingsvermogen: “Ik neem dat stokje graag over.”

Wederkerigheid kwam terug als rode draad: “Een lineaire economie draait om je ergens van ontdoen. Wederkerigheid betekent dat je iets aan elkaar overdraagt en het niet als afval behandelt, maar als een hoogwaardig product”. Dat werd zichtbaar gemaakt tot in de vormgeving: de magazines van CT werden gedrukt op graspapier, gemaakt van maaisel.

Astrid, die in Friesland mee aan de wieg stond van de Route Gebruik, bracht het onderwerp nog eenmaal terug: op 30 juni behandelt de rechtbank in Groningen de zaak van vier Friese gemeenten en BVOR, naar aanleiding van handhavingsverzoeken van twee jaar eerder. “Die gemeenten zijn ambtelijk en bestuurlijk samen blijven optrekken en hebben elkaar vastgehouden”. Voor haar is dit een sterk voorbeeld van de samenwerking binnen het programma.

De partners uit het onderzoek en de betrokken hogescholen werden bedankt, waarna alle begeleiders van de werksessies naar voren werden gevraagd en een fles perensap uit de Hoeksche Waard kregen.

‹ Terug