Naar de hoofdinhoud

Nieuws

Impressie landelijke CT dag 2024: Hoe breng je bodemverbetering in jouw gebied op gang?

17-6-2026 Nieuws
Impressie landelijke CT dag 2024: Hoe breng je bodemverbetering in jouw gebied op gang?

Op donderdag 20 juni vond de tiende landelijke bijeenkomst van het programma Circulair Terreinbeheer plaats. Ruim 50 deelnemers kwamen samen voor een dag vol inspirerende workshops, boeiende gesprekken en prikkelende dialogen tussen mensen met diverse achtergronden, allemaal met hetzelfde doel. Een impressie…

Ochtend: bezoek aan proefvelden

De landelijke dag begon met een bezoek aan Royal Eijkelkamp te Giesbeek, waar op testvelden langs de IJssel ervaring en kennis wordt opgedaan met innovatieve oplossingen voor bodem en water. Tijdens twee interactieve presentaties kregen de deelnemers een toelichting op het werken aan een gezond bodemleven en het meten daarvan. Dat draagt bij aan een betere bodemstructuur, waterberging, gezonde en weerbare planten, hoogwaardige opbrengst en verbeterde bodemvruchtbaarheid.

De presentaties leidden tot veel vragen en een levendige discussies. Aansluitend volgde een rondleiding over het terrein, waar de deelnemers onder andere de wormencompost en een grote machine die compost maakt, te zien kregen.

Middagprogramma

Het programma werd voortgezet in Arnhem, bij het Provinciehuis van Gelderland. De deelnemers konden daar kiezen uit verschillende interactieve werksessies:

Kennisprogramma Circulair Terreinbeheer
In deze sessie vertelden onderzoekers over de aanpak en de tussenresultaten van het CT-kennisprogramma. Het onderzoek richt zich onder andere op de samenstelling van lokaal geproduceerde compost en bokashi en de effecten op de bodem. Eén voorlopige conclusie: de hoeveelheid stikstof en fosfaat die vrijkomt uit lokale bodemverbeteraars is op korte termijn laag, net als bij groencompost. Het is daarom niet logisch om de lokale bodemverbeteraars in toekomstig beleid als meststof te beschouwen. Lees meer…

De toekomst na afronding van het Programma Circulair Terreinbeheer ‘Maaisel en Blad’
In 2026 loopt het huidige Programma Circulair Terreinbeheer Maaisel en Blad af. Dit betekent het einde van de ‘motor’ die landelijke dagen organiseert, gesprekken voert met ministeries en mensen en communities verbindt. Hoe verder? Naar mening van de deelnemers van deze sessie moet het lokaal benutten van maaisel en blad voor bodemverbetering vóór die tijd gewoon formeel geregeld zijn. Uit praktijk en onderzoek blijkt toch dat het gebruik ervan veilig en effectief is? Lees meer…

Kansen voor bodem in de Omgevingswet
Tijdens deze sessie werd dieper ingegaan op de nieuwe mogelijkheden die de Omgevingswet biedt voor circulair terreinbeheer. De wet legt de nadruk op duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid en de verbetering van het leefmilieu. Die focus creëert kansen om juridische oplossingen te vinden voor uitdagingen die eerder moeilijk oplosbaar waren. Lees meer…

Linksom of Rechtsom: Friese gemeenten en de route Gebruik
Twee Friese gemeenten deelden hun ervaringen rondom de ‘route gebruik’. Voor hen is het logisch: er liggen opgaven rondom bodem en water, kringlopen moeten worden gesloten en grondstoffen moeten verstandig worden beheerd. De gemeenten hebben een aanbod van maaisel dat vrijkomt bij terreinbeheer, en agrariërs zijn geïnteresseerd in het gebruik van dit maaisel voor bodemverbetering. Maar hoe breng je dit samen? Lees meer…

Koolstofopslag met maaisel en blad
In deze sessie gaf de Stichting Grondstoffen Collectief Nederland (GCN) een toelichting op het circulair maken en verwaarden van groene stromen die vrijkomen uit de openbare ruimte. Voor de opslag van koolstof die daarmee gepaard gaat, kunnen certificaten worden verkregen bij de Stichting Nationale Koolstofmarkt. Lees meer…

Hoe weten en meten we of ketenpartners klaar zijn voor opschaling?
Tijdens de sessie werd de SRL (service Readiness Level) tool toegelicht, een instrument dat de bestuurlijke en sociale voortgang van een transitie analyseert. In 2024 werd de tool gebruikt om de voortgang, ontwikkeling en opschaalmogelijkheden van het project LIFECO2SAND te beoordelen. Lees meer…

Sessie Kennisprogramma Circulair Terreinbeheer: stand van zaken

In deze sessie vertelden wetenschappers over de aanpak en de tussenresultaten van het CT-kennisprogramma. Het onderzoek richt zich onder andere op de samenstelling van lokaal geproduceerde bodemverbeteraars (zoals bokashi) en de effecten op de bodem. Eén voorlopige conclusie: de hoeveelheid stikstof en fosfaat die vrijkomt uit lokale bodemverbeteraars is op korte termijn laag, net als bij groencompost. Het is daarom niet logisch om de lokale bodemverbeteraars in het beleid als meststof te beschouwen.

Paul Romkens van Wageningen University & Research presenteerde de resultaten na drie jaar onderzoek. Daaruit blijkt dat het gebruik van bokashi of compost als bodemverbeteraar overwegend neutrale tot positieve effecten heeft. De veranderingen in organische stof, waterbergend vermogen en microbiologie zijn klein maar positief. Ook blijkt dat het gebruik van de bodemverbeteraars geen extra risico vormt voor de verspreiding van de azoolresistente schimmel Aspergillus fumigatus.

Ruben Dümmer (Hogeschool Van Hall Larenstein) en Judith van de Mortel (HAS Green Academy) vertelden vervolgens over het aanvullend onderzoek waar zij dit jaar mee zijn begonnen. Dit onderzoek richt zich op het verfijnen van de bevindingen en het onderzoeken van nieuwe toepassingen in de komende twee jaar. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan praktijkervaringen uit de pilots en aan bedrijfseconomische aspecten.

Sessie: De toekomst na afronding van het Programma Circulair Terreinbeheer ‘Maaisel en Blad’

In 2026 loopt het huidige Programma Circulair Terreinbeheer af. Dit betekent het einde van de ‘motor’ die landelijke dagen organiseert, gesprekken voert met ministeries en mensen en communities verbindt. Ook de pilots lopen dan af. Hoe verder? Naar mening van de deelnemers van deze sessie moet het lokaal benutten van maaisel en blad voor bodemverbetering vóór die tijd gewoon formeel geregeld zijn. Uit praktijk en onderzoek blijkt toch dat het gebruik ervan veilig en effectief is?

Tijdens deze sessie gingen de doeners en denkers van circulair terreinbeheer waaronder Philippe van de Grinten (Provinos), Pieter van de Valk (Maatschap van de Valk en Agricycling), Petra Bennink (gemeente Apeldoorn) en Joyce Zuijdam (Rijkswaterstaat), in gesprek met elkaar en met de deelnemers over de toekomst na 2026. Belangrijke aanbevelingen en opmerkingen:

  • Veranker de kennis: Het is belangrijk om opgedane kennis en standaarden, zoals kwaliteitsborging en de route gebruik, voor de lange termijn vast te leggen. Dit stelt anderen in staat deze te verbeteren en aan te vullen, waardoor ze steeds effectiever worden. Het verankeren van kennis bevordert uniforme werkwijzen en protocollen, wat bijdraagt aan het bereiken van gedeelde doelen en de gezamenlijke lobby van stakeholders versterkt.
  • Legitimiteit van pilots is nodig: In 2026 lopen de pilots van het CT Kennisprogramma af, maar de pilots zelf willen dóór. Het onderzoek toont aan dat de bodemverbeteraars veilig en effectief kunnen worden gemaakt en toegepast. Voor 2027 zou formeel moeten worden vastgelegd onder welke voorwaarden dit als gangbare praktijk wordt erkend. Ook is het van belang dat fermentatieproducten, zoals bokashi, worden opgenomen in de meststoffenwetgeving.
  • Blijvende samenwerking: Ook na afloop van de pilots van het CT Kennisprogramma is het belangrijk dat ketenpartners blijven samenwerken om versnippering te voorkomen en de impact van het Programma Circulair Terreinbeheer te behouden.

Sessie: Kansen voor bodem in de Omgevingswet

Tijdens deze sessie werd dieper ingegaan op de nieuwe mogelijkheden die de Omgevingswet biedt voor circulair terreinbeheer. De wet legt de nadruk op duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid en de verbetering van het leefmilieu. Die focus creëert kansen om juridische oplossingen te vinden voor uitdagingen die eerder moeilijk oplosbaar waren.

De sessie startte met een presentatie van Lukas Baars (KokxDeVoogd). Hij ging in op de doelen en instrumenten van de Omgevingswet.

Naast de focus op de fysieke leefomgeving, is van belang dat de wet het beginsel ‘decentraal tenzij’ hanteert. Dat betekent dat gemeenten de primaire verantwoordelijkheid dragen voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Volgens Lukas biedt de Omgevingswet de gemeenten nieuwe kansen om hun ambities te realiseren. Om deze te benutten is het cruciaal om de doelstellingen helder te formuleren en onderbouwen. Daarna kan worden verkend hoe de wet kan bijdragen aan het realiseren van deze doelen.

Eén ding is duidelijk: het benutten van de kansen vraagt om creativiteit, doorzettingsvermogen en overtuigingskracht van bestuurders.

Tijdens de sessie werden de volgende kansen besproken:

  • Afwijken van het BAL via maatwerk. Gemeenten en provincies kunnen (via maatwerk) specifieke aanpassingen opnemen in hun omgevingsplannen of -verordeningen, waardoor zij flexibel kunnen inspelen op lokale behoeften.
  • Inzetten van het instrument ‘omgevingswaarde’. Gemeenten hebben de mogelijkheid om voor specifieke gebieden een omgevingswaarde vast te leggen in hun omgevingsplan, zoals een gewenste bodemkwaliteit. Zij hebben daarvoor dan een inspanningsverplichting of resultaatverplichting.
  • Het opnemen van regels in het omgevingsplan. Dit biedt een juridisch kader om specifieke doelen te realiseren binnen de gemeentelijke grenzen.
  • Toepassing van de experimenteerbepaling. De wet maakt ruimte voor experimenten waarbij kan worden afgeweken van bestaande regels. Indien het, uit oogpunt van de leefomgeving, onredelijk is om terug te keren naar de oude situatie, kan de nieuwe situatie permanent worden gemaakt. Dit biedt aanzienlijke kansen voor creatieve oplossingen, al is ministeriële goedkeuring vereist.

Na de theorie bespraken Lukas en Leon Claassen (provincie Gelderland) enkele concrete situaties met de aanwezigen. Daarbij werd verkend in hoeverre de Omgevingswet nieuwe mogelijkheden kan bieden ten opzichte van eerdere wetgeving, en wat er nodig is om deze kansen te benutten.

Sessie: Linksom of Rechtsom: Friese gemeenten en de route Gebruik

Twee Friese gemeenten deelden hun ervaringen rondom de ‘route gebruik’. Voor hen is het logisch: er liggen opgaven rondom bodem en water, kringlopen moeten worden gesloten en grondstoffen moeten verstandig worden beheerd. De gemeenten hebben een aanbod van maaisel dat vrijkomt bij terreinbeheer, en agrariërs zijn geïnteresseerd in het gebruik van dit maaisel voor bodemverbetering. Maar hoe breng je dit samen?

De sessie werd verzorgd door Kees de Vries (Gemeente Súdwest-Fryslân) en Geert Draaistra (Gemeente Leeuwarden). Zij vertelden over hun avonturen wat betreft het composteren van lokaal aangevoerd maaisel bij de boer. Om dit mogelijk te maken werkten zij samen met boeren, voerden zij vele gesprekken met ketenpartners en andere betrokken partijen en stemden zij hun activiteiten bestuurlijk af.

Dit resulteerde in de route gebruik. Dat houdt in dat een gemeente besluit dat het maaisel en blad dat vrijkomt bij het beheer van gemeentelijke terreinen, te beschouwen en behandelen als grondstof voor bodemverbetering. Het afvalspoor komt dan niet in beeld. Deze route maakt het mogelijk dat agrariërs deze grondstof op hun eigen terrein kunnen gebruiken voor het maken en uitrijden van CMC-compost. Het maken van bokashi is op dit moment nog niet toegestaan.

Voor deze werkwijze gelden specifieke voorwaarden, zoals het borgen van de kwaliteit van de grondstoffen van oogst tot toepassing en het maken van duidelijke afspraken over aspecten zoals afzet, volume en opslag. In Friesland is hiervoor een protocol opgesteld.

Inmiddels zijn er tien samenwerkende gemeenten in Friesland die deze route volgen. Enkele bevindingen uit de praktijk:

  • Het is belangrijk om vaste aanspreekpunten binnen de keten te hebben, zodat altijd duidelijk is met wie er contact kan worden opgenomen.
  • Bestuurders moeten actief betrokken worden, zodat zij goed geïnformeerd zijn en een eenduidige boodschap kunnen uitdragen.
  • Het is belangrijk om samen met ketenpartners te evalueren wat goed en fout gaat en waar verbeteringen mogelijk zijn. Transparante communicatie, zowel intern als extern, is hierbij cruciaal.
  • Kennis en ervaringen moeten worden gedeeld met andere gemeenten, bijvoorbeeld over het opstellen van transportbrieven, de procesborging en het omgaan met handhaafverzoeken. Elkaar helpen versterkt de samenwerking en het succes van de route gebruik!

Sessie: Koolstofopslag met maaisel en blad

In deze sessie gaf de Stichting Grondstoffen Collectief Nederland (GCN) een toelichting op het circulair maken en verwaarden van groene stromen die vrijkomen uit de openbare ruimte. Voor de opslag van koolstof die daarmee gepaard gaat, kunnen certificaten worden verkregen bij de Stichting Nationale Koolstofmarkt.

Arne Eindhoven en Richard Liebrechts van GCN bespraken zowel de inzet van de groene stromen voor bodemverbetering in de kleine kringloop als de meervoudige verwerking ervan in centrale hubs. De keuze tussen deze opties hangt sterk af van de samenstelling van de groenstromen en hun potentiële waarde voor bodem, ecologie en andere doelen.

Een belangrijk aspect van het circulair benutten van groenstromen is de opslag van koolstof. Planten spelen hierbij een cruciale rol door CO2 via fotosynthese vast te leggen.

“Gras is eigenlijk miljoenen jaren jongere olie”

“We moeten opschalen, maar we mogen de ecologie daarbij niet verliezen”

Door planten als grondstof te gebruiken, kan koolstof worden opgeslagen in bijvoorbeeld isolatie- en plaatmaterialen voor de bouw, of in de bodem.

Organisaties die bijdragen aan (extra) emissiereductie in Nederland kunnen certificaten verkrijgen van de Stichting Nationale Koolstofmarkt. Hiervoor gelden specifieke eisen, zoals het langdurig vastleggen van CO2, bijvoorbeeld voor minimaal 35 jaar in materialen zoals isolatieplaten. Ook door het gebruik van bodemverbeteraars kunnen CO2-credits worden gegenereerd.

Zie voor meer informatie: Stichting Nationale Koolstofmarkt

Sessie: Hoe weten en meten we of ketenpartners klaar zijn voor opschaling?

Tijdens de sessie werd de SRL (service Readiness Level) tool toegelicht, een instrument dat de bestuurlijke en sociale voortgang van een transitie analyseert. In 2024 werd de tool gebruikt om de voortgang, ontwikkeling en opschaalmogelijkheden van het project LIFECO2SAND te beoordelen.

Deze sessie werd geleid door Dylan Koster (Rijkswaterstaat) en Shakti Lieten (LietenConnect). De SRL-tool is ontwikkeld door Rijkswaterstaat, maar ook andere organisaties die met innovaties aan de slag willen kunnen het gebruiken. Het instrument maakt gebruik van interviews en gesprekken met stakeholders.

In 2021 werd de SRL-tool voor het eerst ingezet voor het LIFECO2SAND-project, dat zich richt op het verbeteren van zandbodems door toevoeging van klei afkomstig van andere locaties. In 2024 werd de tool opnieuw gebruikt, om de voortgang, ontwikkeling en opschaalmogelijkheden van dit project te beoordelen. De meting leverde inzichten op over de waarde, het draagvlak, kosten, de implementatie en de risico’s van de transitie. Daarnaast werden bijna 20 knelpunten en kansen geïdentificeerd.

Shakti en Dylan gingen vervolgens met de aanwezigen in discussie over de resultaten van de SRL-meting. Ze bespraken welke acties nog nodig zijn om de knelpunten aan te pakken en de kansen te benutten.

‹ Terug