Naar de hoofdinhoud

Nieuws

Impressie landelijke CT-dag 2023: Denken en werken met grondstoffen

28-6-2023 Nieuws
Impressie landelijke CT-dag 2023: Denken en werken met grondstoffen

Maandag 19 juni vond (alweer de negende) landelijke bijeenkomst van het programma Circulair Terreinbeheer plaats. Meer dan 80 deelnemers spraken in het mooie Omnia gebouw op de campus van Wageningen University & Research over ‘Denken en werken met grondstoffen’. Een impressie.

Opening

De dag startte met een gesprek tussen dagvoorzitter Frans Scheepens en drie personen die betrokken zijn bij circulair terreinbeheer: Rolf Balvert (GKB groep), Philippe van der Grinten (Provinos) en Dirk Siert Schoonman (Waterschap DOD en ambassadeur van CT).

Rolf Balvert is betrokken bij meerdere CT-pilots in de regio Rijnmond waarin agrariërs bokashi maken en toepassen. Hij ‘ontzorgt’ hen door onder andere te helpen bij het (ingewikkelde) vergunningentraject en het invullen van de logboeken. Rolf: “De pilots zijn nu drie jaar bezig en stuk voor stuk zijn de boeren enthousiast over het resultaat: ze zien meer wormen en hun oogst is goed. Het moet nog wetenschappelijk worden onderbouwd, maar dat kost tijd. De boeren willen heel graag – ook na afloop van de pilots – dóór en verder opschalen. En ook de 23 boeren waarvoor geen ruimte was voor een CT-pilot willen dolgraag aan de slag met deze werkwijze. Maar dan moet het wel beter worden geregeld. Ter illustratie een voorbeeld: een boer die bokashi wilde uitrijden op eigen bodem, kreeg de boodschap dat er eerst archeologisch onderzoek moest worden gedaan. Dat slaat nergens op: bokashi klinkt misschien als een kuil, maar het is een hoop.”

Philippe is betrokken bij verschillende CT-pilots in Limburg en Brabant. Hij merkte op dat de houding van omgevingsdiensten ten opzichte van bokashi sterk verschilt. In Brabant bijvoorbeeld zijn succesvolle voorbeelden van circulair terreinbeheer tot stilstand gekomen doordat de omgevingsdienst op de rem heeft getrapt. Philippe: “Het is belangrijk dat we ons blijven realiseren waarom circulair terreinbeheer zo belangrijks is. Het bodemleven is enorm verarmd en uit ervaringen van boeren blijkt dat bokashi snel verbetering kan brengen. Maar wat boeren met de bodem willen en kunnen doen wordt belemmerd door wetgeving; daar moeten we iets mee doen. Een suggestie uit de praktijk: werk met samenwerkingsovereenkomsten met ketenpartners, waarbij boeren maaisel op meerdere momenten kunnen weigeren. Dat biedt genoeg veiligheid om het proces te borgen!”

Dirk Siert benadrukte het belang van circulair terreinbeheer bij de huidige droogte. “Gezonde bodems houden meer water vast en dat kan het verschil maken tussen gele en groene velden. Het is daarom belangrijk dat betrokkenen dóór kunnen, ook als de pilots aflopen. Als ambassadeur van Circulair Terreinbeheer wil ik me hiervoor (bestuurlijk) inzetten, en bespreken hoe we de ministeries van IenW, LNV en Omgevingsdiensten kunnen helpen om verder te komen. Het helpt mij om daarvoor concrete voorbeelden te krijgen van knelpunten, maar ook van wat er goed gaat. Zijn er bijvoorbeeld beelden van positieve effecten van bokashi op gewassen? Ik ontvang ze graag.

Ik zie circulariteit als één van de grote onderwerpen voor de toekomst. Het is complex en er komen steeds meer voorbeelden. Maar we zijn er nog niet!”

Vijf workshops

Gedurende de dag namen de deelnemers deel aan twee van de volgende workshops:

Workshop 1: Circulaire economie: de bodem centraal stellen

Pieter van der Valk (Agricyling)
In deze workshop deelde Pieter zijn visie over hoe we tot een circulaire samenleving komen. “Raap de bal zelf op”, was zijn boodschap. Cruciaal daarbij is dat we als maatschappij anders gaan denken en handelen over de landbouw en over het recyclen van grondstoffen. De bodem staat daarin centraal. Lees meer…

Workshop 2: Bokashi in Rotterdam

Charissa Veth-Meulemans, Maarten Cabaret, Kees de Vette & Benjamin Mensinga, Gemeente Rotterdam
Trots, enthousiast, ontzettend leuk en leerzaam: het zijn woorden die veelvuldig vielen tijdens de presentatie van vier medewerkers van de gemeente Rotterdam over ‘hun’ pilot met bokashi. Wat hadden zij te melden? Lees meer…

Workshop 3: Klimaatneutraal en Circulair beslissen over grond en baggerstromen

Fred de Haan (Waternet) en Harry Hofman (GBN)
Hoe maak je als beheerder de keuze om grondverzet en baggerwerken klimaatneutraal en circulair uit te voeren of aan te besteden? Zowel de Waterschappen als Rijkswaterstaat hebben hiervoor een model ontwikkeld. Fred en Harry lichtten toe hoe deze modellen kunnen worden ingezet voor het selecteren van het zo circulair en hoogwaardig mogelijk toepassen van bagger en grond. Lees meer…

Workshop 4: beoordeling (on)gelijk speelveld?

Joyce Zuijdam, Rijkswaterstaat en Leon Claassen, Provincie Gelderland
In deze workshop deelden de deelnemers hun ervaringen met elkaar bij het circulair toepassen van hoogwaardige grondstoffen. Dat leidde tot een aantal kritische ‘Loesje-spreuken’, die circulair terreinbeheer een zetje in de goede richting moeten geven. Lees meer…

Workshop 5: voor- en nadelen van bermmaaisel als agrarische bodemverbeteraar

Maartje van der Sloot (WUR)
De afgelopen vier jaar heeft promovenda Maartje van der Sloot zich verdiept in het gebruik van bermmaaisel als bodemverbeteraar. Zij heeft hierbij een goed beeld gekregen van de potentiële voor- en nadelen van deze circulaire toepassing. Tijdens deze interactieve workshop besprak ze haar resultaten en eventuele nader te onderzoeken aspecten. Lees meer…

Workshop 6: Bodemgezondheid meten

Gerard Korthals (WUR), Eline Keuning (Bioclear Earth), Bob Klein Lankhorst (Royal Eikelkamp), Kees van den Dool (NMI), Silko Mergenthal (DGWB) en Jan Willem Berendsen (LIFE CO2Sand)
In deze workshop vertelden maar liefst zes sprekers kort iets over het meten van bodemgezondheid. Dat leidde tot een levendige discussie tussen de onderzoekers, agrariërs en beleidsmedewerkers over onder andere de werking en prijs van meettools. Een oproep van de boeren: graag applied sciences! Lees meer…

Workshop 7: Hoe maken we bermmaaisel en blad ook juridisch tot grondstof?

Joyce Zuijdam en Yuri Wolf, Rijkswaterstaat
Positieve ervaringen met circulair terreinbeheer zijn er genoeg. Maar: hoe winnen we het vertrouwen van beleidsmakers en omgevingsdiensten? Hoe kunnen we kennis en goede voorbeelden inzetten, zodat circulair terreinbeheer juridisch mogelijk is? Daarover ging de workshop van Joyce Zuijdam en Yuri Wolf van Rijkswaterstaat. Lees meer…

Lunch, markt en naar buiten

Tijdens de lunch werd er volop ‘genetwerkt’. Daarna konden de deelnemers kiezen uit meerdere activiteiten: een (orchideeën)wandeling over de campus, het zoeken en determineren naar bodemdieren, een rondleiding door het laboratorium bodemdieren of een workshop Circulair Terreinbeheer voor dummy’s. Ook konden zij een bezoek brengen aan de markt, waar meerdere bedrijven en initiatieven vertelden over hun ervaringen met circulair terreinbeheer.

Plenaire afsluiting

Aan het eind van de middag vatten de workshopleiders hun bevindingen samen en gingen zij met elkaar in gesprek. Wat moet er volgens hen de komende twee jaar gebeuren? Een aantal quotes.

“Het is eerder gezegd vandaag: het is veel geregel om alles geregeld te krijgen. Er zijn genoeg groenstromen beschikbaar en er zijn genoeg boeren die er graag mee aan de slag willen. Echter, het proces wordt belemmerd door regelgeving, en dat is jammer. Dit is een kwestie waar we actief mee aan de slag moeten gaan.”

“We kunnen niet hard genoeg roepen dat het sluiten van kringlopen écht belangrijk is. Den Haag moet worden overtuigd dat dit groter is dan circulair terreinbeheer alleen en veel andere opgaven raakt. De toekomst vraagt er om.”

“Zie je effecten van de toepassing van lokale bodemverbeteraars? Maak beeldmateriaal en stuur het op naar CT. We hebben de boeren en hun verhaal nodig, zij kunnen Den Haag overtuigen!””

“Maak het politiek: breng het in colleges en zorg ervoor dat je gesprekspartner wordt. Dat creëert draagvlak en mogelijkheden om goede dingen te doen.”

“We moeten blijven monitoren en al doende blijven leren over het sluiten van kringlopen”.

“Er zijn bestuurders met lef nodig.”

“Gebruik circulair taalgebruik: praat niet over afval, dan zet je jezelf in de hoek.”

De pioniers van de nieuwe route gebruik in het zonnetje

Als afsluiting van de dag werden enkele pioniers van circulair terreinbeheer op het podium uitgenodigd. Zij hebben het voor elkaar gekregen om in Friesland een beweging op gang te krijgen, waarbij bermmaaisel van gemeenten wordt benut voor het maken en toepassen van CMC-compost op het boerenbedrijf. Dit gebeurt via de route gebruik. De pioniers hebben lef getoond, elkaar opgezocht en ketens gebouwd met heldere afspraken en zich voor 200% ingezet. Daardoor is er een dynamiek ontstaan, die ook op bestuurlijk en politiek niveau voor enthousiasme zorgde. Hopelijk zet dit inspirerende voorbeeld ook anderen in beweging!

Workshop 1: Circulaire economie: de bodem centraal stellen

In deze workshop deelde Pieter van der Valk zijn visie over hoe we tot een circulaire samenleving komen. “Raap de bal zelf op”, was zijn boodschap. Cruciaal daarbij is dat we als maatschappij anders gaan denken en handelen over de landbouw en over het recyclen van grondstoffen. De bodem staat daarin centraal.

Pieter van der Valk, agrariër en de oprichter van Agricycling, is betrokken bij het verwerken en benutten van groene reststromen als bodemverbeteraar. Deze reststromen zijn afkomstig van ‘onverdacht’ gemeentelijk bermgras. Samen met andere boeren zet Pieter zich in voor dit initiatief. Pieter: “We zijn begonnen met vier boeren in het Zuidwesten van Friesland, inmiddels zijn dat er 144 in de hele provincie. We gaan ook opstarten in Overijssel en Groningen en ook in Limburg worden initiatieven gestart. We doen dat niet zomaar, maar vanuit onze visie op circulariteit en daaraan verbonden grote opgaven waar de maatschappij voor staat.”

Visie
“Om verder te komen in de transitie, staat Nederland voor de uitdaging om ecologische en economische opgaven met elkaar te verenigen. Daarvoor moeten we als maatschappij anders naar boeren en landbouw gaan kijken. Individuele boeren worden geconfronteerd met stijgende grondprijzen en worden verantwoordelijk gesteld voor maatschappelijke opgaven, die hen geld kosten. De enige manier om daaruit te komen is om meer output te leveren. Maar uiteindelijk loopt het systeem dan vast.

Onze visie is dat landbouw beoordeeld moet worden op basis van circulariteit in plaats van puur productie. Hierbij speelt de bodem een cruciale rol, aangezien dit de enige plaats is in het ecosysteem waar recycling plaatsvindt. De boer heeft hierin een sleutelrol, die vaak wordt vergeten. Laten we de boer daarom niet alleen zien en belonen als voedselproducent, maar ook als een waardevolle schakel in het recyclen voor de samenleving. Die manier van benaderen zorgt voor een onderhandelbaar verdienmodel, dat al morgen geïmplementeerd zou kunnen worden.”

Ons initiatief
“Om het verdienmodel te realiseren, is het essentieel dat agrariërs hun zaken autonoom kunnen regelen. Dan is het een kwestie van ‘gewoon’ doen. Maar boeren kunnen het implementeren van circulair terreinbeheer niet alleen, er moeten ketens worden opgebouwd en afspraken worden gemaakt. In ons initiatief maken we gebruik van bermgras van gemeenten om gecertificeerde CMC-compost te produceren op het boerenbedrijf.

Om alles juridisch te regelen, passen we de ‘route gebruik’ toe, die in samenwerking met het programma CT is ontwikkeld. Dit houdt in dat de gemeente als bevoegd orgaan afspraken maakt over het gebruik van hun maaisel voor bodemverbetering, zodat het niet langer als afval wordt beschouwd. Enkele voorwaarden zijn dat er een keten aanwezig is, dat er zorg wordt gedragen voor de kwaliteit van de producten en dat er een gegarandeerde afname is.”
De keuze van de gemeente om deze route te volgen is werkelijk een enorme stap in de richting van een circulaire economie. Een pluim voor hen! Inmiddels zien we dat meer gemeenten in Friesland deze route volgen. Bovendien is de provincie Fryslân ook betrokken geraakt en gaat zij aan de slag met het organiseren van het eigenaarschap van de keten en met de ontwikkeling van een kennisinfrastructuur. Dit toont aan dat steeds meer stakeholders zich inzetten voor deze belangrijke transitie.”

Tenslotte
Het toekomstbeeld van Pieter is dat voor elke individuele bodem een op maat gemaakte bodemverbeteraar wordt samengesteld, gebaseerd op factoren zoals bodemsoort, gewas, bodemleven, enzovoort. “Misschien kunnen de huidige composteerders een rol spelen bij het realiseren van dit idee. Ik zou hierover graag met hen in gesprek willen en willen samenwerken.”

Link naar presentatie

Workshop 2: Bokashi in Rotterdam

Trots, enthousiast, ontzettend leuk en leerzaam: het zijn woorden die veelvuldig vielen tijdens de presentatie van vier medewerkers van de gemeente Rotterdam over ‘hun’ pilot met bokashi. Wat hadden zij te melden?

Op acht plaatsen in de stad doet de gemeente Rotterdam een pilot met bokashi. Rotterdam heeft de ambitie om het materiaalgebruik in 2030 met de helft terug te dringen. Herfstbladeren inzamelen en inzetten als grondstof behoort tot deze ambitie.

Deel 1: over inzamelen en uitdagingen

Tijdens de workshop vertelden Charissa Veth-Meulemans en Maarten Cabaret over de circulaire inzameling van blad en de uitdagingen die zij tegenkwamen. Zo bleek dat er in het eerste jaar te veel blad vervuild was. Om dat te voorkomen zijn er nu strenge eisen aan de inzameling van bladeren.

Medewerkers in de uitvoering hebben daarin een grote verantwoordelijkheid. Met veel laaggeschoolden en vele culturen is het belangrijk om duidelijk uit te leggen wat het doel is. Vraag de medewerkers om verantwoording en luister naar hen. Er komen veel waardevolle ideeën uit de uitvoering! “De medewerkers waren enthousiast, meedenkend, oplossend en onwijs gedreven.”

Andere uitdagingen en oplossingen:

  • Veegmachines / RAVOs blijken gevoelig te zijn voor mankementen. Om de rijbewegingen te beperken is het handig om dichtbij een verzamellocatie te hebben.
  • Het is heel effectief als er een mobiele perscontainer op de werklocatie te hebben (dat scheelt veel rijbewegingen en diesel van de RAVOs). Ze moeten dan wel op tijd op de goede locatie zijn, en dat is soms een uitdaging.
  • De kwaliteit van het blad varieert sterk per wijk. Daarom wordt er vooral in schone wijken verzameld, waar het voorwerk minimaal is. Om ook in andere wijken te verzamelen zou het zwerfvuil er uit moeten worden gefilterd/gezeefd, maar daarvoor zijn andere partijen nodig.

Deel 2: over onderzoek en monitoring

In het tweede deel van de presentatie gingen Benjamin Mesinga en Kees Vette van de gemeente Rotterdam in op onderzoek en monitoring. In dat kader analyseren zij het effect van bokashi in de plantsoenen via (maandelijkse) visuele waarnemingen én (jaarlijks) onderzoek van het bodemleven. Beiden laten zij foto’s zien van plantsoenen mét en zonder bokashi en van het bodemleven. Hun conclusie: de humusopbouw in de plantvakken komt goed op gang door bokashi, het bodemleven neemt toe en ‘de planten zien er kleurig en fleurig uit’. Daarbij hebben hoogwaardige bokashi en compost hetzelfde effect.

Bij de analyse van effecten, betrekken zij ook burgers, via QR codes en borden. Mogelijk wordt er in de toekomst nog meer gedaan met deze ‘citizen science’.

Tijdens de presentatie beantwoordden de vier sprekers tal van vragen uit het publiek over onder andere: micro-organismen, het kostenplaatje en het verschil tussen bokashi en compost in duurzaamheid en werking. Ook gingen zij in gesprek met deelnemers aan de workshop over ervaringen met bokashi van andere grondstoffen (zoals gras), duurzame alternatieve om bokashi te produceren van inlandse producten (niet lava granulaat), etc.

Tot slot een compliment uit de zaal: “Top hoe alles in elkaar steekt, zeg!”

[link naar presentatie]

Workshop 3: Klimaatneutraal en Circulair beslissen over grond en baggerstromen

Hoe maak je als beheerder de keuze om grondverzet en baggerwerken klimaatneutraal en circulair uit te voeren of aan te besteden? Zowel de Waterschappen als Rijkswaterstaat hebben hiervoor een model ontwikkeld. Fred de Haan (Waternet) en Harry Hofman (GBN) lichtten toe hoe deze modellen kunnen worden ingezet voor het selecteren van het zo circulair en hoogwaardig mogelijk toepassen van bagger en grond.

Deel 1: het model CircSed

Fred vertelde over het model CircSed, waarin de waterschappen hebben geïnvesteerd. Dit model is onder ander bedoeld om circulair om te gaan met grondstoffen zoals baggerspecie. Dat is belangrijk vanwege de circulaire doelen, die de waterschappen hebben onderschreven (50% circulair in 2030 en 100% in 2050). Sleutelbegrippen voor circulair omgaan met bagger zijn: zoveel mogelijke sociale, economische en ecologische waarde, zoveel mogelijk gesloten kringlopen en herbruikbaarheid en een minimum aan afvalproductie. Daarnaast zijn er twee kernwaarden van belang: zoveel mogelijk de natuur volgen en samenwerken in de keten.

Het model geldt voor de hele keten (baggeren, transporteren en toepassen) en beoordeelt verschillende ketens op circulariteit. Dat gebeurt op de criteria (die je naar eigen wens kunt wegen):

  • Kosten en waarden
  • Het volume van bagger (zo min mogelijk bagger naar de stortplaats_
  • Emissies
  • Aansluiting op natuurlijk systeem

Inmiddels is er een bèta-versie van het model gereed. Fred: “Het model helpt ons al bij het beoordelen van onze eigen keuzes en doelstellingen, maar er moeten nog wel verbeteringen worden doorgevoerd. In de toekomst zien we nog meer kansen voor de toepassing van het model, bijvoorbeeld in aanbestedingsprocedures. Het is belangrijk dat we ervoor zorgen dat bagger zijn waarde zoveel mogelijk behoudt en zijn negatieve imago kwijtraakt.”

[link naar presentatie]

Deel 2: het Systeemdynamisch Grondstromenmodel

Harry ging in op het Systeemdynamisch Grondstromenmodel dat Rijkswaterstaat ontwikkelt. Doel van het model is om een integrale impactanalyse te maken, waarop keuzes kunnen worden gebaseerd. Dat gebeurt via de volgende stappen:

  • Het bepalen van de fysische, chemische en biologische waarde van de grond.
  • Het toetsen van de impact aan meerdere parameters (onder andere de uitstoot van CO2)
  • Het bepalen van de circulaire waarde van de bestemming.
  • Het benoemen van de belangrijkste hefbomen en maatregelen, die ervoor moeten zorgen dat de uitkomsten echt gerealiseerd kunnen worden.

Harry: “We gaan het model in de praktijk inzetten, voor het project Uiterwaarden Wamel, Dreumel, Heerewaarden (UWDH). Bij dat project – dat RWS samen uitvoert met Staatsbosbeheer en de provincie Gelderland) komt maar liefst 1 miljoen kubieke meter grond vrij. Bij dat soort projecten vervalt de grond doorgaans aan de aannemer en wordt dan meestal naar een depot gebracht. In dit geval verkennen we andere, hoogwaardigere oplossingen, zoals:

  • Het inzetten van klei voor dijkverzwaring Tiel-Waardenburg
  • Het toepassen van een dunne kleilaag op zandgronden in De Peel en de Achterhoek (LIFE CO2SAND)
  • Het toepassen van een kleilaagje op veenweidegebieden bij Woerden (CO2 binden en emissie voorkomen)
  • Het toepassen van grond voor het verhogen van het terrein van bomentelers bij St Andries (om het tekort aan grond te compenseren dat ontstaat door de verkoop van bomen met kluiten grond)
  • Het suppleren van zand op erosieplekken (zandsuppletie Bovenrijn Spijk)

Met het model zoeken we naar de beste bestemmingen.”

Tot slot

Uit de discussie volgt dat de modellen elk hun eigen kenmerken en toepassingsmogelijkheden hebben, maar ook overeenkomsten hebben. De sprekers streven naar verdergaande samenwerking om tot win-win te komen.

link naar presentatie

Workshop 4: beoordeling (on)gelijk speelveld?

In deze workshop deelden de deelnemers hun ervaringen met elkaar bij het circulair toepassen van hoogwaardige grondstoffen. Dat leidde tot een aantal kritische ‘Loesje-spreuken’, die circulair terreinbeheer een zetje in de goede richting moeten geven.

Na een inleiding van Joyce Zuijdam van Rijkswaterstaat en Leon Claassen van de Provincie Gelderland gingen de deelnemers in groepjes aan de slag. Zij deelden voorbeelden om samen een groter bewustzijn te creëren over oordelen en beoordelen. Met als doel: na de workshop in een volgend gesprek met een vergunningverlener, een adviesbureau of een bestuurder beter beslagen ten ijs komen. Vervolgens werkten zij dat uit in hun eigen CT ‘Loesje’ teksten.

Workshop 5: Voor- en nadelen van bermmaaisel als agrarische bodem verbeteraar

De afgelopen vier jaar heeft promovenda Maartje van der Sloot zich verdiept in het gebruik van bermmaaisel als bodemverbeteraar. Zij heeft hierbij een goed beeld gekregen van de potentiële voor- en nadelen van deze circulaire toepassing. Tijdens deze interactieve workshop besprak ze haar resultaten en eventuele nader te onderzoeken aspecten.

Maartje startte de workshop met een korte toelichting op het circulair gebruiken van bermmaaisel voor bodemverbetering. Vervolgens zoomde ze in op haar promotieonderzoek, met als hoofdvraag: wat zijn de potentiële voor- en nadelen van het gebruiken van bermmaaisel als bodemverbeteraar op agrarische grond? Na discussie met de zaal over onderzoeksvragen- en methoden, ging ze in op het driejarig veldexperiment dat centraal stond in haar onderzoek. Dit experiment vond plaats bij agrariërs, op 15 locaties verspreid over Brabant en Gelderland.

In het experiment vergeleek ze de effecten van het opbrengen van maaisel (afkomstig uit een wegberm langs een provinciale weg) ten opzichte van een controleperceel. Ze maakte daarbij onderscheid tussen:

  • Controleperceel (geen maaisel opgebracht, bemesting met kunstmest tot het conventionele niveau)
  • Vers opgebracht maaisel uit een reguliere wegberm (soortenarm maaisel, bemesting met 50% van conventionele niveau kunstmest)
  • Vers opgebracht maaisel uit een berm waarin bloemen waren ingezaaid (soortenrijk maaisel, 50% kunstmest)
  • Compost van soortenarm maaisel (50% kunstmest)
  • Bokashi van soortenarm maaisel (50% kunstmest)

De percelen werden ingezaaid met tarwe en mais (gewasrotatie).

De bodemverbeteraars werden geanalyseerd op koolstof, stikstof, C:N verhouding en (in 2020) op zware metalen. Per veldje werd er gedurende drie jaar (in september) 30 ton maaisel per hectare aangebracht. Vervolgens werden de effecten op de bodem, de oogst en de onkruiddruk bepaald.

Resultaten

  • De resultaten laten zien dat het aanbrengen van maaisel een significant effect heeft op het organische stofgehalte van de bovenste 10 cm van de bodem (ten opzichte van de controle). Dit geldt voor alle behandelingen van maaisel, hoewel compost het meeste effect had. In de bouwvoor (10-40 cm) was deze stijging niet significant, alleen compost liet een lichte stijging zien. Mogelijk was de onderzochte periode te kort om dit effect te meten.
  • Er waren geen significante effecten op het watervasthoudend vermogen van de bodem. Mogelijk komt dat doordat de beginwaarde van het percentage met 4% al vrij hoog was of was de onderzoeksperiode te kort.
  • Qua gewasopbrengst waren er zowel voor mais als tarwe geen significante verschillen tussen de controle– en maaiselpercelen. Maartje: “Dat is een positief resultaat voor de boeren, als je bedenkt dat aan de maaiselpercelen maar de helft van de hoeveelheid kunstmest is toegevoegd, met hetzelfde resultaat.”
  • Qua risico’s: er is geen effect van de toepassing van maaisel op onkruiddruk gevonden en ook de toegestane concentraties zware metalen bleven (ver) onder de toegestane normen. Zwerfval echter was wel een probleem. Omgerekend zou een agrariër bij het opbrengen van 30 ton/ha aan maaisel tussen de 6 en 9 kilo aan zwerfafval per hectare vinden, vooral blikjes en flesjes. Maartje: “Je ziet dat boeren verschillend met het zwerfafval omgaan; sommigen halen het afval eruit vanwege de grote voordelen, andere vinden het afval ontoelaatbaar. We hopen dat de invoering van statiegeld op blikjes en flesjes de hoeveelheid afval gaat verminderen en er komen ook steeds meer initiatieven van vrijwilligers die bermen in hun omgeving schoonmaken.”

Tot slot beantwoordde Maartje enkele vragen, bijvoorbeeld over wat zij op grond van haar resultaten ‘de beste bodemverbeteraar’ vond. Maartje: “Eigenlijk hadden vers materiaal en bokashi vergelijkbare effecten op de bodem. Compost scoorde iets beter wat betreft stijging van het percentage organische stof en gewasopbrengst, al was het verschil met de andere bodemverbeteraars klein.”

Alle resultaten zijn te lezen in het in januari 2023 uitgekomen rapport “Bodem als basis – onderzoek naar inzet van bermmaaisel als bodemverbeteraar in zandige akkers”

[link naar presentatie]

Workshop 6: Bodemgezondheid meten

In deze workshop vertelden maar liefst zes sprekers kort iets over het meten van bodemgezondheid. Dat leidde tot een levendige discussie tussen de onderzoekers, agrariërs en beleidsmedewerkers over onder andere de werking en prijs van meettools. Een oproep van de boeren: graag applied sciences!

Gerard Korthals van Wageningen University Research lichtte toe dat bodemgezondheid kan worden ‘aangevlogen’ vanuit chemie, biologie en natuurkunde. In het CT kennisprogramma worden bodemfuncties gemeten, bodemfauna (aaltjes en regenwormen) en microorganismen (bacteriën en schimmels). Daarnaast wordt de bodem visueel beoordeeld. “Je moet naar meerdere soorten kijken, want elke soort vertelt ons iets anders.”

Eline Keuning van Bioclear Earth keek door de microbiologische bril naar de bodem, naar het microbioom, ofwel het geheel van micro-organismen. Het bodemmicrobioom beïnvloedt planten den hun groei; elk bedrijf heeft een uniek microbioom in zijn grond. “Je stuurt als boer het microbioom aan. Nu moeten we bedenken hoe we dit zo goed mogelijk kunnen aansturen”

Bob Klein Lankhorst van Royal Eikelkamp beschreef een nieuwe methode om het bodemleven te observeren, via de ‘SoilLifeMonitor’. Deze methode bestaat uit nieuwe hardware, die snel beelden geneert en door een computer laat analyseren (AI en ML methode). Daarmee kan functionele biodiversiteit worden gemeten. Daarnaast werkt hij aan de ontwikkeling van een techniek die nematoden analyseert en op basis daarvan uitspraken kan doen over de bodemgezondheid.

Volgens Kees van den Dool van NMI ontbreekt een heldere visie over een goede en gezonde bodem. Er zijn echter wel twee methoden om hiernaar te kijken: open bodemindex (OBI) en bodemindicatoren voor landbouwgronden in Nederland (BLN). Op basis van verschillende criteria (zoals biologie, fysica en chemie) kunnen deze een score van 1-10 aan de bodem geven. Elk perceel kan een 10 krijgen.

Beide methoden zijn los van elkaar ontstaan en worden nu in elkaar geschoven. Daarbij ligt er steeds meer focus op bodembiologie.

Silko Mergenthal van DGWB vertelde over de monitoring van vitale bodems. Het samenbrengen van systemen blijkt lastig te zijn, doordat indicatoren anders worden gemeten. De verschillende methodes worden nu vastgelegd; om deze toe te passen is het handig om ze in één toolbox te hebben. “Er zijn veel verschillende manieren om naar bodem te kijken. Hoe krijgen we dit bij elkaar?”

Jan Willem Berendsen van LIFE CO2Sand tenslotte presenteerde een casus voor het circulair gebruik van kleigrond om zandgronden te verbeteren (voor klimaatadaptatie en klimaatmitigatie). Er is een pilot begonnen in 2021, met nulstroken naast de behandelde velden. Het is de bedoeling om te gaan meten wat de maatregel doet met de bodemgezondheid. Maar: hoe wat kunnen we het best doen om goed te meten?

[Download presentatie]

Workshop 7: Hoe maken we bermmaaisel en blad ook juridisch tot grondstof?

Positieve ervaringen met circulair terreinbeheer zijn er genoeg. Maar: hoe winnen we het vertrouwen van beleidsmakers en omgevingsdiensten? Hoe kunnen we kennis en goede voorbeelden inzetten, zodat circulair terreinbeheer juridisch mogelijk is? Daarover ging de workshop van Joyce Zuijdam en Yuri Wolf van Rijkswaterstaat.

Joyce en Yuri stellen dat de route ‘gebruik’ wel eens de snelweg naar acceptatie van bermmaaisel als grondstof voor bodemverbeteraar zou kunnen zijn. Bij deze route gebruik besluiten terreinbeheerders zelf dat het maaisel of blad dat vrijkomt bij het beheer van hun terreinen wordt behandeld en gebruikt voor bodemverbetering. Met als voorwaarden: zekerheid van afzet, rechtmatigheid en hoogwaardigheid. De afvalwetgeving is dan niet nodig.

Dit kan ook op landelijk niveau toegepast worden, en het is wenselijk dat de minister hier zijn steun aan geeft. In Friesland zijn er ervaringen met de route gebruik. Verschillende gemeenten en agrariërs maken hiervan gebruik voor het maken en toepassen van CMC-compost.

De resultaten van het kennisprogramma wijzen erop dat maaisel en blad als bodemverbeteraar geen problemen opleveren. Het zorgpunt vanuit het ministerie blijft echter hoe zwerfvuil in het maaisel en blad zoveel en goed mogelijk wordt voorkomen, zodat er bij een route ‘gebruik’ geen excessen ontstaan. Joyce benadrukt dat er vertrouwen in de grondstof en de keten nodig is. Alle partijen streven immers naar kwaliteit: agrariërs willen geen verontreiniging op hun land, en terreinbeheerders willen zo hoogwaardig mogelijk gebruik maken van hun assets. De keten controleert zichzelf. Daarnaast blijft de zorgplicht voor milieubescherming te allen tijde gelden, waarbij circulair terreinbeheer een extra stap zet in de verbetering van het milieu.

Ook Yuri streeft ernaar dat maaisel en blad eindelijk als grondstof worden gezien. Al sinds 2014 werkt hij aan de vraag hoe gras kan worden ‘verwaard’. Inmiddels heeft hij bereikt dat het ministerie van IenW een rechtsoordeel heeft gegeven voor het ‘voortgezet gebruik van bermgras’ als grondstof voor karton of graspapier. Dat oordeel is mede gebaseerd op de succesvolle ‘allocatie van bermen’, waarbij in kaart is gebracht welke wegbermen geschikt zijn voor verschillende toepassingen. Yuri: “Als je anders na gaat denken, bermen alloceert en de kwaliteit in de keten borgt, dan zijn we niet afhankelijk van omgevingsdiensten. Zorg er dus actief voor dat je anders gaat nadenken en handelen en circulair terreinbeheer anders gaat regelen. Bijvoorbeeld door groenbeheerplannen of contracten aan te passen!”

Zorgen voor schoon maaisel

Om vertrouwen te winnen, is het van belang dat de leveranciers van maaisel een goede kwaliteit kunnen garanderen. Yuri werkt samen met andere organisaties aan de ontwikkeling van materieel dat zowel gras als zwerfafval oogst zonder extra werkhandelingen. Dit levert twee voordelen op: zowel de grondstof gras als de berm zelf blijven schoon. Er wordt al proefgedraaid met de eerste prototypes. Yuri geeft aan dat bedrijven bij RVO een tegemoetkoming in de kosten kunnen aanvragen om dergelijk materiaal aan te schaffen.

[Download presentatie]

‹ Terug